Buxus, bloesems en bommen

Bij Jan Siebelink lijkt de liefde voor het woord voorop te staan, niet de liefde voor de meeslepende vertelling.

Recensent Nederlandse literatuur

Oscar – uit de gelijknamige oorlogsroman van novelle-achtige lengte van Jan Siebelink – gaat gebukt onder het treurige gegeven dat hij in tijden van vrede ietwat overbodig is en vaak straal genegeerd wordt, maar eenmaal in tijden van oorlog bloeit hij op en kan hij eindelijk straffeloos onvoorzichtig zijn. Zo vindt Oscar van Kervelen, zoals zijn volledige naam luidt, in het transport van 5 miljoen Nederlandse guldens in de Tweede Wereldoorlog de opdracht die hem eindelijk van zijn luizige en goeddeels sociaal geïsoleerde bestaan kan afhelpen. Met zijn vriend Id, duidelijk een man van Venus, reist hij in de meidagen van 1940 met een legergroene Citroën naar Duinkerken, in de hoop verscheept te worden naar het veilige Engeland, waar de tassen met geld afgeleverd kunnen worden.

Al vroeg wordt duidelijk dat Id in Frankrijk is omgekomen, want Oscar vangt aan met een sprong van ruim vijf jaar in de tijd, als Oscar na de bevrijding de weduwe van Id treft, Esmée. Ze wil met Oscar de reis van 1940 herbeleven en samen stappen ze in opnieuw een Citroën richting datzelfde Duinkerken.

Een groot deel van de frictie in Oscar wordt veroorzaakt door het gegeven dat Oscar de gewezen minnaar van Esmée was, voordat zij vlak voor de oorlog met Id trouwde. Oscar was tijdens die affaire nog getrouwd en had de moed niet om zijn huwelijk te verbreken voor Esmée, zijn eigenlijke grote liefde.

Siebelink is in Oscar het best op dreef wanneer hij het heimelijke smachten van de tortelduifjes schetst in de vertrekken van de middelbare school waar naast Id ook Oscar en Esmée werkzaam zijn. Het is dan van een Victoriaans aandoende onderhuidse spanning met, ondanks het feit dat het allemaal binnenskamers gebeurt, veel oog voor al wat de rijke natuur allemaal aan flora te bieden heeft.

Esmée en Oscar beklimmen de trap van het schoolgebouw: ‘Hij ging haar voor. Halverwege bleef hij staan, uit zicht van wie dan ook [...] Hoe graag had hij nu haar hand gepakt, zij die een trede lager stond, en haar naar zich toe getrokken. Maar hij wees op een binnenplaats, onduidelijk zichtbaar, met buxusboompjes en klassieke beelden. De buxusbomen waren uitgegroeid en vormloos, de beelden met blauw korstmos overdekt: de zogenaamde Latijnse tuin van dit gymnasium.’

Nu is het hard piekeren geblazen over dit soort natuurmijmeringen. Bij Siebelink komen ze om de haverklap voorbij. In een amper 120 pagina’s tellend boek lezen we behalve over de korstmossen en buxussen over tal van wonderlijke, en veelal genegeerde fenomenen uit de natuur. Lindes. Krokussen. Platanen. Seringen. Akkers met rogge. In het proza van bloemistenzoon Siebelink woekert en bloesemt het dat het een aard heeft, er is weinig dat aan het natuurvorsende oog van de auteur of aan dat van zijn personages ontsnapt, hoe venijnig de bommen in dit boek op hetzelfde moment ook inslaan. Het geeft de lezer weliswaar een ‘volle’ ervaring van het beschrevene, maar het is nog maar de vraag hoe literair al die woordpracht eigenlijk is. Staan deze beschrijvingen wel ergens voor? Vaak lijkt de liefde voor het woord bij Siebelink voorop te staan, niet de liefde voor de meeslepende vertelling.

Dat detaillistische benoemen zit Siebelink in Oscar vaker wat in de weg. Zo schetst hij in een passage de militaire training van Id en Oscar in 1938, door melding te maken van hun schietoefeningen. Oscar glorieert met de revolver, terwijl de klunzige Id er niet veel van bakt met zijn door Siebelink in de handen gedrukte ‘brengun’. Een instructeur geeft hem ervan langs. ‘Wat voor verschrikkelijke stommiteit had Id begaan? Zijn linkerhand had bij het afvuren niet boven op het wapen gelegen, in de handgreep, maar onder tegen de loop, daar waar hij open is. De al afgevuurde kogels hadden zijn handpalm open geschroeid.’ Dit is al wat nodeloos omslachtig geformuleerd, maar belangrijker is dat het misschien wel niet helemaal conform de werkelijkheid van zo’n schietijzer is. Een ‘open’ loop? Schiet Id zich nou een paar kogels in de hand of brandt hij zijn hand aan een gloeiende loop? En los daarvan: een brengun? Beschikte het Nederlandse leger in die tijd over brenguns? Die mogelijkheid is verwaarloosbaar, zo meldt het Legermuseum in Delft desgevraagd.

Muggenzifterij? Niet helemaal, want in Oscar staan meer passages waarmee Siebelink het zichzelf onnodig moeilijk heeft gemaakt. Neem het moment waarop Oscar en Esmée na de bevrijding voor een ruïne in Middelburg staan en Oscar er plots een ‘gedeeltelijk verbrand codebericht van 10 mei 1940’ vindt, waarmee hij Esmée precies datgene kan vertellen wat ze op dat ogenblik van hem wil weten. Tja, het zou kunnen, denk je dan. Er komt een soldaat voorbij ‘met een autoped, zonder gasmasker op’. Tja, waarom zou je verwachten dat iemand daar wél mee op loopt? Dit is de Eerste Wereldoorlog niet!

De grootste zwakheden van Oscar gaan echter niet schuil in ongeloofwaardige details. Het heeft er eerder alle schijn van dat de schrijver ervan niet de baas is geweest over de licht ontvlambare elementen die hij bij aanvang van het schrijven in de blender heeft gegooid. De kern van de roman is een door jaloezie en karakterverschillen gekenmerkte vriendschap die door twee ingrijpende omstandigheden, te weten de oorlog en een gekaapte vrouw, onder grote druk komt te staan. Waarom vindt in dit boek geen confrontatie plaats tussen Oscar en Id, wanneer die laatste Oscars grote liefde kaapt? Dat is toch hoogverraad?

Siebelink maakt er geen woorden aan vuil en er moet uiteindelijk redelijk out of the blue een wapen aan te pas komen wanneer Oscar orde op zaken wil stellen. En waarom moet Esmée Oscar eigenlijk helemaal naar Duinkerken meenemen om iets uit hem naar boven te krijgen, wanneer verder nergens blijkt Oscar haar niets wil vertellen over wat voorviel?

Er valt weinig anders te concluderen dan dat er in Oscar veel bontgekleurd decor is, maar op de bühne weinig gebeurt.

Jan Siebelink: Oscar. De Bezige Bij, 125 blz. € 17,50