Rijke eigenaren houden het piramidespel in stand

De verliezen in het Europese profvoetbal zijn weer gestegen. De transfermarkt blijkt een verliezersmarkt en het aantal wanbetalers onder de clubs loopt op.

Spookspelers zou je ze kunnen noemen. Voetballers die geen doelpunten meer maken. Nooit meer in de kleedkamer zijn om hun shirt aan te trekken en zelfs hun bolide niet meer voor het stadion parkeren. Maar ze kosten hun clubs nog wel veel geld, elke maand weer.

Nog niet zo lang geleden werden de voetballers voor een miljoenenbedrag gekocht, inmiddels zijn ze weer verkocht. De fans zijn er aan gewend. Idolen zijn inwisselbaar in het topvoetbal. Met de opbrengst van de transfers zijn weer andere vedettes of nieuwe talenten aangetrokken. Maar de voetballers moeten ook nog worden afbetaald. Geen clubaccountant die nog in de catacomben van een Zuid-Europees stadion durft te kijken. De spookspelers zijn met velen.

De profclubs uit de hoogste divisies van de 53 nationale voetbalcompetities in Europa waren elkaar in 2010 2,3 miljard euro aan transfervergoedingen schuldig, zo maakte de Europese voetbalbond UEFA gisteren bekend in een omvangrijk rapport over de financiële situatie van het profvoetbal in Europa. Het aantal wanbetalers onder de clubs loopt op, vooral in Zuid-Europa.

De transfermarkt is voor de meeste clubs een verliezersmarkt. In 2010 verloor het Europese clubvoetbal volgens de UEFA in totaal 933 miljoen euro met het aan- en verkopen van voetballers, ruim 400 miljoen meer dan een jaar eerder. Tussen de vaantjes en de trofeeën in de bestuurskamers van Europese profclubs is in een jaar tijd bijna 1 miljard euro verdampt.

Het gezamenlijke verlies van de 665 profclubs uit de hoogste competities van 53 Europese landen bedroeg 1,6 miljard euro. Het tekort loopt al vijf jaar achtereen op: van een negatief saldo van 216 miljoen euro in 2006 naar min 1,6 miljard in 2010. „Dit kan niet zo doorgaan”, zei de secretaris-generaal van de UEFA, Gianni Infantino, op een persconferentie. Hij sprak over „de allerlaatste waarschuwing”. De UEFA wil dat clubs vanaf 2014 niet meer geld uitgeven dan er binnenkomt.

Bij de topclubs in de grote voetballanden gaat het grote uitgeven ondertussen door. Op de kleintjes wordt niet gelet. De Engelse club Manchester City gaf in drie jaar tijd ruim 500 miljoen euro aan voetballers uit. De eigenaar van City, sjeik Mansour bin Zayed al-Nahyan uit Abu Dhabi, verzamelt topspitsen alsof het voetbalplaatjes zijn. Vorig seizoen leed zijn club een verlies van 230 miljoen euro. Dat is de helft van de jaaromzet van alle Nederlandse eredivisieclubs bij elkaar.

De Franse club Paris Saint-Germain kwam in handen van een investeringsfonds uit Qatar en gaf in de zomer van 2011 meteen 82 miljoen euro aan voetballers uit. Succes is te koop in het profvoetbal: PSG staat nu bovenaan in de Franse competitie. In Italië is een noodlijdende club een statussymbool. Een rijke voorzitter kan dan telkens te hulp schieten. Populariteit verzekerd.

De blanco cheques van rijke clubeigenaren hebben de prijzen zo ver opgedreven, dat zelfs de beste club ter wereld verlies maakt. FC Barcelona won tussen 2009 en 2011 twee keer de Champions League, werd drie keer landskampioen, won één keer het nationale bekertoernooi en veroverde ook nog twee keer de wereldbeker. Vorig seizoen leed Barcelona 9 miljoen verlies, een seizoen eerder 83 miljoen euro. De schuld van de meest succesvolle club van de afgelopen jaren bedraagt 364 miljoen euro.

In de vijf grote Europese voetballanden – Engeland, Duitsland, Spanje, Italië en Frankrijk – werd tweederde van al het geld verdiend dat in 2010 in het Europese clubvoetbal werd omgezet (12,8 miljard euro). In de Engelse Premier League is de gemiddelde clubomzet 134 miljoen, in San Marino 86.000 euro.

De Champions League, het belangrijkste Europese clubtoernooi, vergroot de verschillen. Clubs uit grote voetballanden hoeven niet eens te presteren in het toernooi: het prijzengeld wordt voor het grootste deel bepaald door het bedrag dat de uitzendrechten van de wedstrijden in eigen land hebben opgebracht. Zo verdiende Sjachtar Donetsk uit Oekraïne vorig seizoen 21 miljoen euro met een plaats in de kwartfinales van de Champions League, terwijl het Engelse Chelsea na dezelfde prestatie 44 miljoen kreeg.

De clubs uit de 48 andere nationale competities in Europa zijn voornamelijk veroordeeld tot de Europa League, waar een vijfde van het prijzengeld in de Champions League te verdelen is.

Ondanks de enorme inkomensverschillen geldt de stelregel: hoe rijker de club, hoe groter het verlies. 65 procent van de clubs die in 2010 in de Champions League of de Europa League speelden, gaf meer uit dan verdiend werd. En driekwart van de Europese clubs met een omzet van meer dan 50 miljoen draaide verlies.

Rijke clubeigenaren houden het piramidespel tot nu toe in stand. 84 procent van de verliezen die clubs in vijf jaar tijd hebben gemaakt, zijn goedgemaakt door kapitaalinjecties ter waarde van 3,4 miljard euro.

In Rusland staat de geldpomp nu ook open. Russische clubs gaven vorig seizoen meer aan voetballers uit dan hun concurrenten in Frankrijk en Duitsland. De vijf grote voetballanden zijn zes grote voetballanden geworden, dankzij clubs als Terek Grozny, eigendom van de omstreden Tsjetsjeense president Ramzan Kadyrov, en Anzhi Machatskala uit de Russissche deelrepubliek Dagestan. Topspits Samuel Eto’o uit Kameroen verdient daar 20 miljoen euro per jaar. „Wij voetballers doen het allemaal voor het geld”, zei hij onlangs tegen de Spaanse sportkrant AS. „Wie wat anders beweert is hypocriet.”