Poëzie

Poëzie door het volk en voor het volk. Dat is de kortste omschrijving van de poëzieavond ‘Poëzie aan de Vecht’ in Loenen aan de Vecht. Gisteren beleefde het zijn zesde editie. Normaal wordt die gehouden op Nationale Gedichtendag, maar dit jaar is de poëzieavond om praktische redenen een dag vervroegd.

Een literaire avond in de bibliotheek van Loenen aan de Vecht, dat is in ligging en sfeer mijlenver verwijderd van de hippe literatuuravondjes in Amsterdam. Hier geen coole hipsternerds die dwepen met de laatste Amerikaanse succesdebutant, maar eerlijk volk dat eens wil horen wat de buurman of buurvrouw zoal in zijn vrije tijd bij elkaar rijmt.

Spil in het Loenense culturele leven is Ietje van der Born. Zij heet de honderd nog wat gasten in de bibliotheek welkom.

Loenenaren hebben zich tot 31 december mogen opgeven voor voordracht met een eigen of met een bestaand gedicht. Er zaten ook een paar kinderen tussen. Om het niet te laat voor ze te maken mogen zij meteen op. Eerst Britt van Hoeijen (12), daarna Rick van den Heiligenberg (11). Er is een thematische overlap tussen hun gedichten, beiden bezingen hun grootvader. Britt: „Ik heb mijn opa niet gekend./Aan de verhalen leek het me een leuke vent.” Rick: „Opa was een geweldige, aardige vent/Samen wandelen in het park.” De zaal, vol opa’s en oma’s, zucht vertederd.

„Ik wil mijn liefde voor de poëzie delen met de gemeenschap”, vertelt Ietje mij tussendoor over haar motieven zo’n jaarlijkse poëzieavond op te zetten.

Iemand die aangestoken is door die liefde is Jos Eveleens. Hij draagt het eerste politiek beladen gedicht van de avond voor. Crisis: „We zijn vrolijk achter de euro aangelopen/We volgden onze leiders gedwee/In plaats van gouden bergen ons beloofd/gaan we met z’n allen naar de ratsmodee.”

De plaatselijke Jules Deelder heet André Brandenhorst. Strak naar achteren gekamd haar, getapte jongen.

„Oh wacht”, zegt hij voordat hij begint met het gedicht ’t Lijk. „Ik zie het niet zo goed.”

Hij zet een onwaarschijnlijk bizarre zonnebril op. De glazen zijn bedrukt met een goudkleurig doodshoofd. Hilariteit in de zaal. Gekke André toch ook.

De laatste voordracht is van Maarten Elling die met een gedicht van Willem Wilmink de tweede is met een politieke boodschap. „Omdat er nog altijd racisme is in onze maatschappij.” Het gedicht heet Ben Ali Libi: „En altijd als ik een schreeuwer zie/met een alternatief voor de democratie/denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar/Voor Ben Ali Libi de goochelaar.”

Luid applaus. Een man naast mij steekt zijn vuist strijdbaar in de lucht.

Na afloop krijgt iedereen een bundel met de voorgedragen gedichten mee. Een groot deel van het publiek blijft om te helpen met opruimen. De klapstoeltjes moeten opgeborgen worden en tafels moeten weer terug op hun plek zodat de bibliotheek morgen weer op orde is. Die heeft een uitgebreide collectie dichtbundels. Een uitkomst voor de Loenenaren die er gisteren niet bij konden zijn.