Los zand

Ook over het Nederlands Dagblad, een rechtzinnige (maar niet rechtse) protestantse krant, is de geest der oecumene vaardig geworden. In zijn nummer van 14 januari verschenen twee grote interviews met hoogleraren aan de Universiteit van Tilburg, die haar rooms-katholieke verleden niet verloochent. Een van hen is zelfs priester: Erik Borgman, eens door Vrij Nederland uitgeroepen tot een van de twaalf scherpzinnigste denkers van Nederland.

Hoewel zelf niet gelovig, en nog minder rooms-katholiek, was ik het veelal eens met wat Borgman zei. Hier zal ik mij bepalen tot één uitspraak. Wanneer hij godsdienstige vieringen leidt, krijgt hij vaak te horen dat hij daarin ook dingen moet doen die ‘leuk zijn voor de kinderen’. Hij vindt het „een groot misverstand dat je iets speciaal voor kinderen moet doen om ze erbij te laten horen”.

„Kinderen willen met grote mensen meedoen. Waarom moeten we het in de kerk voortdurend leuk maken, het naar de mensen toebrengen? Laat mensen maar een beetje omhoog reiken.” Die verleuking, die het onderwijs, de media en de politiek al helemaal in haar greep heeft, heeft blijkbaar ook in de kerken toegeslagen. De gekruisigde Christus, hun symbool, moet kennelijk ook leuk gemaakt worden.

Maar het blijft niet bij verleuking. We moeten blijkbaar ook op onze hurken gaan zitten om het de mensen niet te moeilijk maken. Borgman vindt dat ze juist omhoog moeten reiken, dus op hun tenen staan. Een goede raad. Ook kinderen kan zo nu en dan stof voorgezet worden die ze niet helemaal begrijpen, maar die hen (of sommigen van hen tenminste) wél intrigeert. Er is dan een humus gelegd die later, wanneer zij rijper geworden zijn, vruchten kan voortbrengen.

De andere door Nederlands Dagblad geïnterviewde is Gabriël van den Brink, hoogleraar maatschappelijke bestuurskunde in Tilburg. Hij heeft zojuist een onderzoek afgesloten waaruit blijkt dat Nederlanders „veel idealistischer zijn dan ze zelf beweren”. Van den Brink vindt dat „een goede boodschap”. Nu, dat vind ik helemaal niet. Het hangt er van af wat de idealen inhouden. Ook Hitler, Stalin en Mao hadden hun idealisten.

De resultaten van Van den Brinks onderzoek zijn verschenen in het „vuistdikke” boek De Lage Landen en het hogere. Onder het hogere verstaat Van den Brink „de verbeelding van een geheel waarmee ik mij verbonden weet en waardoor ik mij geroepen voel tot onbaatzuchtig handelen”. Het woord verbeelding duidt erop dat het om een verbeelde, dus andere werkelijkheid gaat. Maar zoals de Amerikaanse socioloog William Thomas zegt: „Als mensen toestanden als werkelijk zien, dan zijn ze werkelijk in hun gevolgen.”

Als dat zo is, waarom dan niet, in plaats van over ‘het hogere’, over ‘het andere’ spreken? De wetenschap ontdekt voortdurend nieuwe werkelijkheden die gisteren nog ondenkbaar waren. Zou er dan niet nog een heel gebied zijn waarvan wij (nog) geen weet hebben, op z’n hoogst vermoeden? Dat gebied behoort niet noodzakelijkerwijs tot ‘het hogere’, wél tot ‘het andere’.

Dichters en denkers hebben zich sinds de oudheid met ‘het andere’ beziggehouden. Ik noem een paar. In Plato’s grotscène zitten de mensen in een grot te kijken naar een wand waarop schaduwen zich bewegen. Die schaduwen houden zij echter voor de werkelijkheid, want zij kunnen niet achterom kijken en hebben dus geen weet van de ‘echte’ werkelijkheid, alleen van haar afschaduwing. Die ‘echte’ werkelijkheid ziet Plato niet als ‘het hogere’, wél als ‘het andere’.

Shakespeare laat Hamlet zeggen: „There are more things in heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophy.” En Rilke in zijn gedicht Todes-Erfahrung: „Noch ist die Welt voll Rollen die wir spielen... Doch als du gingst, da brach in diese Bühne ein Streifen Wirklichteit durch jenen Spalt durch den du hinhingst: Grün wircklicher Grüne, wirklicher Sonnenschein, wirklicher Wald.” Ook hier is geen sprake van een hogere, wél van een andere werkelijkheid. Nederlanders zeggen het, als gewoonlijk, minder verheven: „De wereld is een schouwtoneel: elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel” (naar Vondel, zegt Van Dale erbij).

In dromen, dronkenschap en onder invloed van drugs leven we, volgens het spraakgebruik, ‘in een andere wereld’. Het is verleidelijk dit, allitererend, naar de dood te extrapoleren, maar, zoals Rilke zegt: „Wir wissen nichts von diesem Hingehen, das nicht mit uns teilt.” Daarom noemen wij de dood een mysterie. Er is waarschijnlijk nog veel waarvan we niets weten, maar dat zegt niet dat het niet bestaat.

Tussen de twee interviews in een en hetzelfde nummer van het Nederlands Dagblad is er geen merkbaar verband. Daarom hangen ook deze kanttekeningen als los zand aan elkaar.