Kunst met vreemde bijsmaak

Kunst uit de periode van de Koude Oorlog staat centraal op een dubbeltentoonstelling in Antwerpen en Eindhoven.

Nog niet zo lang geleden leek de hedendaagse kunst heel overzichtelijk. Je had bewegingen en tegenbewegingen en het was duidelijk welke kunstenaar waarbij hoorde. Iedereen wist in welke stad welke kunstbeweging te vinden was. New York was in de naoorlogse periode decennialang ontegenzeggelijk het epicentrum, met abstract-expressionisme, pop art, minimal art, conceptuele kunst. Maar ook Düsseldorf, Parijs en Amsterdam speelden op bepaalde momenten een belangrijke rol, met Zero, Nieuwe Tendenzen, Art Concret, Fluxus.

Sinds de val van de Muur in 1989 is de kunstwereld echter diffuus en gefragmenteerd. De meest uiteenlopende kunstuitingen bestaan naast en door elkaar heen. Fysieke plekken waar ‘het’ gebeurt en waar iedereen de blik op gericht houdt, hebben plaatsgemaakt voor vluchtige, steeds wisselende samenwerkingsverbanden tussen kunstenaars.

De val van de Muur bracht nog meer teweeg. Wanneer we nu terugkijken op de naoorlogse geschiedenis kunnen we ons afvragen of de kunstproductie ook daadwerkelijk zo overzichtelijk was. Dat overzicht bestond mede doordat een radicale politieke en ideologische scheiding dwars door Europa liep. Weinigen aan deze kant van het IJzeren Gordijn wisten wat er daarachter aan kunst werd geproduceerd – Oost-Europese kunst speelde in het West-Europese bewustzijn eenvoudigweg geen rol.

Langzamerhand komt hierin verandering, dankzij tentoonstellingen van Oost-Europese kunst. Deze kunst blijkt niet onder te doen voor de kunst uit het ‘vrije Westen’. Bovendien was dit Westen misschien niet helemaal zo vrij als we wel dachten. De aanspraak op universele geldigheid en vrijheid die in de jaren zestig en zeventig door de avant-gardes uitgedragen werd, was niet uitsluitend een kwestie van artistieke idealen, maar ook van politiek beleid tijdens de Koude Oorlog.

Dubbeltentoonstelling

Een kritische, ‘andere’ blik op de kunst in de periode van de Koude Oorlog is de aanleiding tot de dubbeltentoonstelling Spirits of Internationalism in het MuHKA in Antwerpen en het Van Abbemuseum in Eindhoven. In het Van Abbe ligt het accent op het werk van Oost-Europese kunstenaars, terwijl in het MuHKA een selectie van werken uit de collectie van het Van Abbe getoond wordt, waaronder veel Amerikaanse kunst. De kunst werd volgens de tentoonstellingsmakers in de jaren zestig en zeventig internationaal van karakter, niet alleen in New York, Parijs, Kassel en Amsterdam maar ook in Warschau, Zagreb en Barcelona. De organisatoren willen het gesimplificeerde beeld van een eerste en tweede wereld doorbreken. Kunstenaars aan beide zijden van de muur, stellen zij, hadden te maken met de spanning tussen het regionale en internationale en tussen de idee van een autonome, op zichzelf betrokken kunst en een sociaal-politiek geëngageerde kunst.

Behalve voor Oost-Europese kunst is er ook aandacht voor kunstenaars die, ondanks vernieuwend werk, niet doorgedrongen zijn tot het topsegment van de markt en geheel onbekend zijn gebleven. De tentoonstelling beoogt een beeld te geven van de complexiteit van de kunst uit Oost en West tussen 1956 en 1986. Het is hier en daar een beetje te ingewikkeld gemaakt door de kunstwerken te groeperen rond maar liefst acht thema’s of ‘spirits’. Sommige daarvan zijn moeilijk te begrijpen en overlappen elkaar, zoals ‘Het Essentiële’ en ‘Het Gestelde’. Een indeling in vier categorieën, waaronder ‘Het Concrete’, ‘Het Geëngageerde’, ‘Het Transcendente’ en ‘Het ondermijnende’ zou beter zijn geweest.

In het Van Abbe ligt het fraaie werk Hooi, Maïskolven en Bakstenen van Tomaz Šalamun (1941, Ljubljana), in 1970 gemaakt voor de tentoonstelling Overgrootvaders in Zagreb. Šalamun is een Sloveense dichter die na een studie kunstgeschiedenis korte tijd, van 1968 tot 1970, werkzaam was als beeldend kunstenaar. Twee bergen hooi en maïskolfhulzen van identieke hoogte worden geflankeerd door een hoopje bakstenen, materialen die elementaire menselijke bezigheden lijken te belichamen, van verschillende textuur, geur, gewicht.

Het in Polen vermaarde Poolse kunstenaarsduo Kwiekulik is hier, net als Šalamun, vrijwel onbekend. Zofia Kulik, de helft van het duo, toont een aantal foto’s onder de overkoepelende titel Activiteiten met Dobromierz (1972-74). De baby van Kulik, Dobromierz, speelt de hoofdrol in performances en installaties bij Kulik thuis, zittend in een kartonnen doos, de prullemand, gootsteen of wc-pot, of liggend op de grond tussen arrangementen van uien en huishoudelijke voorwerpen. De dagelijkse gang van zaken in het huishouden wordt door Kulik op een geestige en poëtische manier op de kop gezet.

Het is pure winst dat we deze kunst nu eindelijk te zien krijgen. Het merendeel van deze ‘andere’ kunst is afkomstig uit de collecties van de Moderna Galerijea in Ljubljana, de Július Koller-vereniging in Bratislava, het Kwiekulik Archief in Warschau en het museum voor hedendaagse kunst MACBA in Barcelona. Samen met het Van Abbe en het MuHKA hebben deze instellingen zich gegroepeerd tot De Internationale, een netwerk dat overal in Europa tentoonstellingen organiseert en onderling bruiklenen uitwisselt.

Grofweg toont het Van Abbe de alternatieve kunstgeschiedenis en het MuHKA de gekende kunstgeschiedenis, met werken uit de schitterende collectie die destijds door met name Edy de Wilde en Jan Debbaut bijeen is gebracht. Zoals schilderijen uit de jaren zeventig en tachtig van Sigmar Polke, Gerhard Richter en Anselm Kiefer, en Amerikaanse sculpturen uit de jaren zestig van minimal kunstenaars Dan Flavin, Carl Andre, Donald Judd en Robert Morris. Het zijn de kunstwerken die gezichtsbepalend waren voor de westerse kunst tijdens de Koude Oorlog. En dan zijn er einzelgängers als James Lee Byars die op beide plekken te zien zijn.

CIA als donateur

Waar destijds weinig ophef over werd gemaakt, of wat men eenvoudig niet wist, is dat de Amerikaanse kunstenaars die naar Europa kwamen ruimhartig financiële steun ontvingen, niet alleen van het National Endowment for the Arts (opgericht in 1965) maar ook, via het Congress for Cultural Freedom (CCF), van de CIA. Het CCF was een vereniging van prominente kunstenaars en intellectuelen, onder wie Mark Rothko, Jackson Pollock en David Smith. De CIA was in het geheim de belangrijkste donateur van het CCF. De Amerikaanse kunst werd ingezet als wapen in de Koude Oorlog, als uitdrukking van het vrije Westen en van een linkse democratie waarvan de Amerikaanse politiek dacht dat die het communisme in Europa de wind uit de zeilen zou kunnen nemen. Natuurlijk is er niets tegen kunstsubsidies, integendeel zelfs, maar wanneer de ondersteuning ter bevordering van een open en vrije democratie clandestien gebeurt, is dat wat merkwaardig. De enthousiaste wijze waarop de Amerikaanse kunst in Europa omarmd is en in het museale circuit allesbepalend werd, krijgt hierdoor achteraf bezien enigszins een vreemde bijsmaak.

Des te belangrijker zijn pogingen als Spirits of Internationalism om met een andere blik naar de geschiedenis te kijken. En het zijn niet alleen Oost-Europese kunstenaars die nu in het Westen worden ontdekt. Ook kunstenaars van dichtbij zijn over het hoofd gezien, hoewel ze bijzonder interessant werk maakten. Zoals de Belg Toon Tersas (1924-1995), pseudoniem voor Antoon Keersmakers. Keersmakers had een groot gezin en was in het dagelijks leven employé bij een elektriciteitsmaatschappij. Het MuHKA heeft postuum een groot aantal werken van hem verworven, waaronder kalligrafisch herschreven krantenpagina’s waarmee Tersas politieke manipulatie en machtsmisbruik aan de orde stelde. In Eindhoven zijn Portretten uit de Koude Oorlog (1968) te zien, geschilderde fotografische zwart-witportretten van machtige mannen. Met enkele witte en zwarte vlakken en een paar waterige grijstoetsen wist Tersas vlijmscherp gezichtsuitdrukkingen te vangen en een onderhuidse dreiging te verbeelden op een wijze die het werk van de latere, succesvolle Belgische schilder Luc Tuymans minstens evenaart. Daarbij had Tersas ook nog gevoel voor humor. Zijn blije jarenzestigmini-jurkje bedrukt met krantenkoppen en reclameslogans is een van de hoogtepunten op de tentoonstelling.

Spirits of Internationalism. Zes Europese Collecties 1956-1986. Dubbeltentoonstelling. T/m 6 mei in het MuHKA, Leuvenstraat 32, Antwerpen. Inl: www.muhka.be. T/m 29 april in het Van Abbemuseum, Bilderdijklaan 10, Eindhoven. Inl: www.vanabbemuseum.nl.