Keihard werken hoor, die leraren!

Het lijkt potsierlijk, leraren die staken om een twaalfde week vakantie. Maar achter het protest zit twintig jaar aan opgekropte frustratie.

Redacteur onderwijs

Nou nou, erg hoor, hoor je veel ouders al denken. Van zeven naar zes weken zomervakantie. De Nederlandse leraar heeft het maar zwaar. Met die twee weken kerstvakantie en de weken voorjaarsvakantie, meivakantie en herfstvakantie die er verder nog zijn, houdt hij per jaar nog maar 11 weken over, in plaats van de huidige 12.

De leraren in het voortgezet onderwijs lopen deze maand te hoop tegen een nieuwe wet van minister Marja van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA). Zij kort de zomervakantie met een week in en wil dat leraren die dagen gaan gebruiken voor zaken als rapportvergaderingen en bijscholing. De leraren zijn boos en staken, maar op veel sympathie van het publiek lijken ze niet te kunnen rekenen.

De Algemene Onderwijsbond (AOb), de grootste lerarenbond, heeft voor vandaag een landelijke staking uitgeroepen. Veel scholen zullen dicht zijn. Eerder staakte Leraren in Actie al, de kleinste bond. De leiding van CNV Onderwijs wilde eerst niet meedoen met de acties van vandaag, maar werd door haar leden teruggefloten. Ook de christelijke onderwijzers willen actievoeren.

Waarom gaan de leraren nu pas staken, nu hun eigen vakantie in het geding is? Veel ouders, die het moeten doen met vijf vakantieweken per jaar en ook weleens ’s avonds overwerken, begrijpen maar moeilijk waarom dit conflict zo hoog oploopt.

Soms gaat een ruzie waarover zij gaat, maar soms gaat zij ook over meer. En dat is hier het geval. Zeker, de leraren zijn boos over de vakantieweek die hun wordt afgenomen. Maar er spelen ook andere zaken. Ze zijn het zat: alle oekazes vanuit Den Haag, de bemoeienissen van managers, de sluipende bezuinigingen, de onderwijsvernieuwingen. Ze voelen zich als professionals niet serieus genomen. Al twintig jaar lang niet.

Eerst nog even over die vakanties. Werkt de Nederlandse leraar hard? Die vraag is deels te beantwoorden met onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Die publiceert iedere twee jaar het rapport Education at a Glance, waarin de onderwijspraktijk in een groot aantal landen wordt vergeleken. Het meest recente rapport gaat over 2009.

Wat blijkt? In dat jaar bedroeg in Nederland de netto onderwijstijd in het voortgezet onderwijs, dus de tijd die echt voor de klas werd doorgebracht, 750 uur per jaar. Het wettelijk vastgelde totaal aantal werkuren, dus inclusief zaken als het voorbereiden van lessen en nakijken, stond voor een leraar op 1.659. Het gemiddelde voor alle OESO-landen was respectievelijk 678 en 1.661 uur.

Kortom: de Nederlandse docent werkt niet meer dan zijn collega’s in andere landen, maar brengt wel bovengemiddeld veel uren voor de klas door.

Voor die inspanning voelt hij zich niet altijd gewaardeerd. Het kabinet denkt daarvoor de oplossing te hebben gevonden: prestatiebeloning voor de beste leraren. Daarvoor is de komende jaren 250 miljoen euro beschikbaar. De eerste pilotprojecten zijn onlangs begonnen.

Veel leraren zitten echter helemaal niet te wachten op deze prestatiebeloning. Volgens voorzitter Walter Dresscher van de AOb werkt het „vriendjespolitiek in de hand” en zal het „desastreus zijn voor de sfeer in de personeelskamer”. Dresscher zegt dat er „karrenvrachten” aan bewijs uit het buitenland zijn dat prestatiebeloning niet werkt. Dat is wellicht wat te stevig uitgedrukt, maar het staat in ieder geval niet vast dat prestatiebeloning wél leidt tot beter functionerende onderwijzers.

Toch zet het kabinet door. Eerst maar eens kijken hoe de experimenten uitpakken, lijkt staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, VVD) te denken. De leraren zuchten. Wanneer houdt de ongevraagde bemoeienis van ‘Den Haag’ nu eens op?

Scholen dachten dat ze in rustiger vaarwater zouden komen na de publicatie, in 2008, van het rapport van de commissie-Dijsselbloem. Deze parlementaire onderzoekscommissie over vernieuwingen in het voortgezet onderwijs, voorgezeten door PvdA-Kamerlid Jeroen Dijsselbloem, kwam tot de conclusie dat de overheid zich in de jaren negentig te veel bemoeid had met de didactiek en te weinig had gelet op de kwaliteit van het onderwijs. Sindsdien zeggen alle politici elkaar na: wij gaan alleen over het ‘wat’ in het onderwijs, niet over het ‘hoe’. Dat betekent: de Tweede Kamer en het kabinet stellen vast wat een school moet bijbrengen aan haar leerlingen; hoe dat gebeurt, mag elke school zelf uitzoeken.

Nou ja, niet helemaal, blijkt nu. Want alle scholen hadden zich er al op ingesteld dat elke leerling vanaf komend schooljaar jaarlijks 1.000 uur les zou krijgen. Zo was het in samenspraak met het ministerie van Onderwijs immers vastgesteld. Momenteel is de norm 1.040 uur, maar scholen weten deze uren niet altijd zinvol te vullen. In 2007 protesteerden de leerlingen tegen de loze ‘ophokuren’ in hun rooster. In samenspraak met de scholen besloot minister Van Bijsterveldt er daarom 1.000 uur van te maken. Op het laatste moment zag ze zich echter genoodzaakt het aantal lesuren toch weer op te trekken naar 1.040, omdat gedoogpartner PVV dat wilde.

Docenten en schoolbesturen wisten niet wat ze meemaakten. Drie jaar van overleg werd in één Kamerdebat overboord gezet.

Het is deze bruuskering, gecombineerd met het wegvallen van een week zomervakantie en het schrappen van compensatievakantiedagen voor feestdagen als Kerstmis die in de schoolvakanties vallen, die nu leidt tot opstand. Leraren willen niet méér uren lesgeven én zeven tot tien vrije dagen per jaar inleveren.

En dan zijn er ook nog de bezuinigingen op het passend onderwijs. Minister Van Bijsterveldt wil 300 miljoen euro korten op het onderwijs aan leerlingen met leerproblemen. Veel kinderen die nu nog in het speciaal onderwijs zitten, komen straks terecht op een reguliere school. Dat zal een aanzienlijke verzwaring van het werk van de leraren hier betekenen. Ook zullen ongeveer 5.000 leraren hun baan kwijtraken, schat de AOb.

Later dit jaar zullen de docenten in het voortgezet onderwijs waarschijnlijk opnieuw gaan staken, om te protesteren tegen deze bezuinigingen op het passend onderwijs. Ze zullen dan op meer sympathie kunnen rekenen van het grote publiek. Want dat is een ruzie die het particuliere belang van de leraar overstijgt.

Zullen alle stakingen leiden tot een koerswijziging van het kabinet? Waarschijnlijk niet. Van tegenstribbelende leraren trekt de politiek zich al jaren weinig aan. Daar zal op korte termijn geen verandering in komen.