'Ik wil meten wat schoonheid is'

Psycholoog Thomas Pronk wil kunst met harde cijfers duiden. „Ik ga proberen het hartstikke exact te maken.”

Een leek kan zich vergissen. Op Klees doek Gefangen staat een grappig knipogend mannetje tussen schots en scheve hekjes. Kinderlijk, maar bepaald niet vrolijk. Het schilderij is gemaakt in 1940. Klee was Duitsland en de naderende oorlog ontvlucht. De hekjes zijn tralies. Zelfs de simpele lijnen bedriegen. Er gingen zestig jaar oefening en studie aan vooraf.

Kunstexperts herkennen in Klees werk een mix van ongecorrumpeerde originaliteit en kunstzinnigheid. Of die kwaliteiten in zijn werk werkelijk herkenbaar zijn is een subjectieve kwestie. Of toch niet? Samen met het Cobra Museum proberen ontwikkelingspsychologen van de Universiteit van Amsterdam vanaf eind januari begrippen als originaliteit, schoonheid, vaardigheid en het al dan niet opwekkende karakter van Klee te vertalen in koele cijfers.

„Als ik ga kijken naar de bestaande modellen en theorieën voor de beleving van kunst, dan moet ik heel eerlijk zeggen dat het een beetje een wazige boel is”, zegt Thomas Pronk van de UvA. „Ik ben een keiharde psycholoog. Ik ga proberen om het allemaal hartstikke exact te maken.”

Pronk wil de waardering van beelden meten met een model dat kunstonderzoeker Henrik Hagtvedt van het Amerikaanse Boston College enkele jaren geleden ontwikkelde.

Hij toonde proefpersonen kunst en liet ze veel vragen beantwoorden (is het werk extreem, sereen, geruchtmakend, melancholisch, woede opwekkend en ga zo maar door). Uit die berg data destilleerde hij vijf hoofdcategorieën voor de beoordeling van kunst (vaardigheid, originaliteit, leuk/vervelend, opwekkend karakter en schoonheid).

„Kunst en wetenschap staan doorgaans mijlenver van elkaar af” , zegt Hagtvedt. „Dat het Cobra Museum de samenwerking met experimenteel psychologen opzoekt is daarom een groot compliment waard.” Volgens hem is de kunstwereld in verwarring. „Als je een museum voor moderne kunst binnenloopt, dan vindt de helft van de mensen het fantastisch. De andere helft zal het daar voor de volle honderd procent mee oneens zijn. Ze zullen je vertellen: dit ís helemaal geen kunst.”

Artistiek directeur Katja Weitering van het Cobra Museum heeft vorig jaar nog ervaren hoe sterk opvattingen kunnen verschillen. Ze liet een expositie inrichten door de Amerikaan Mike Bouchet. Bouchet zaagde een via internet bestelde prefab Amerikaanse eensgezinswoning in stukken en stalde die op pallets uit. „Veel mensen waren woedend”, zegt Weitering. „Ze zeiden: dit zijn de kleren van de keizer.”

Weitering wijst erop dat bezoekers van de eerste Cobra-tentoonstelling in 1949 in het Stedelijk Museum misschien wel net zo boos waren. De kranten stonden vol over ‘boerenbedrog’. Ze denkt dat de kunst baat kan hebben van de objectiviteit van de wetenschap. „Ik ben het met Thomas Pronk eens dat er een heleboel gewauwel bestaat. We hebben een jargon ontwikkeld waarmee we over dingen spreken die eigenlijk heel moeilijk in woorden te vatten zijn.”

Hagtvedt meent dat de bewijsvoering van wetenschappers een nieuw licht kan werpen op controverses in de kunst. Zover is het nog niet. Hagtvedt en Pronk kunnen geen voorbeelden geven van kunstdebatten die dankzij data zijn opgelost.

Misschien wordt er in het Cobra Museum binnenkort een begin gemaakt. Pronk wil proefpersonen via internet vragen kindertekeningen en werken van Klee te beoordelen.

Samen met het museum heeft hij een concrete toepassing gevonden voor dit experiment in een debat dat Klee voerde met zijn critici in de jaren twintig van de vorige eeuw. Hans Friedrich Geist, leraar beeldende kunst, deelde Klees bewondering voor de originaliteit van kindertekeningen en stelde zijn werk daarmee zelfs gelijk. Klee verzette zich daartegen. „Vergeet niet dat kinderen niets van kunst weten”, schreef hij.

Als Klee gelijk had, aldus Pronk, dan mag je verwachten dat de deelnemers aan het online experiment werken van de verschillende makers beoordelen als even origineel, maar dat ze Klees vaardigheden hoger waarderen dan die van kinderen.

Collega Hagtvedt is benieuwd naar de resultaten. Voordat hij wetenschapper werd studeerde hij in Italië aan een kunstacademie. „Als beeldend kunstenaar heb ik jarenlang geprobeerd om werk te maken dat qua zeggingskracht in de buurt komt van het werk van jonge kinderen”, zegt hij. „Dat is ongelooflijk moeilijk.”