Het dagelijks brood

Zonder optimisme geen winkel.

Wat mij in de binnenstad van Amsterdam en de aangrenzende buurten steeds weer opvalt, is het verloop bij de middenstand. Al die winkels beginnen zo moedig aan hun nieuwe bestaan. Niets trekken ze zich aan van de zakelijke mislukkingen die zich eerder in hetzelfde pand voltrokken hebben. Hún zal het niet overkomen, zij zijn ervan overtuigd dat zij wel in een behoefte kunnen voorzien.

Zo zie ik ze komen en gaan, doorgaans in het bestek van een jaar of twee. Eerst werken de nieuwe eigenaren hard aan de verbouwing, de vloeren worden gebeitst, alles krijgt een verfje. Op de dag na de opening wachten ze in de schemer achter hun verzorgde etalage gespannen op de eerste klanten. Bijna overdreven gedienstig reageren ze als ze je zien.

Ze komen uit alle windstreken. Een Egyptenaar doet in horloges, een Iraki in sieraden, een bejaard Amerikaans echtpaar in oude boeken, een Brabander in bloemen. Als het stil is in hun winkel, en dat is het vaak, vertellen ze over hun herkomst en over wat hen naar Amsterdam dreef.

Op een dag zijn ze opeens weg. Je horloge stond stil, je moest naar de Egyptenaar voor een nieuw batterijtje, maar kijk nou eens, het zoveelste dappere kledingwinkeltje is in het pand getrokken.

Onlangs zag ik in een krant wat cijfers over de detailhandel. Een onderzoeksbureau had vastgesteld dat in Nederland de afgelopen negen jaar het aantal winkels met bijna 5.300 is gedaald. Wat ik in die jaren slenterend door de stad had zien gebeuren, stond nu ook zwart op wit. Het aantal verkooppunten bleek overigens toegenomen, omdat er wel veel groei zit in de dienstverlening, zoals reparatiebedrijven en tattooshops.

Waar zijn al die winkeliers gebleven? Terug naar hun geboortegrond? En heeft de Egyptenaar zijn oude moeder meegenomen, die nog wel eens achter de toonbank de honneurs waarnam?

Winkeliers. Ze klagen graag, en vaak met reden. Hoeveel risicovoller en zwaarder is hun bestaan niet, vergeleken met dat van de gesalarieerde werknemer met zijn pensioen? Hun zorgen zijn van alle tijden.

Ik herlees de laatste tijd de vroege verhalen van Bernard Malamud, de Amerikaanse schrijver, die van 1914 tot 1986 leefde en alweer bijna vergeten is, ondanks het rijke oeuvre dat hij naliet. Hij heeft in een aantal verhalen en in de roman The Assistant een onvergetelijke stem gegeven aan al die sappelende winkeliers in de wereldstad. Hij wist waarover hij het had, want zijn vader was zo’n winkelier - een kruidenier - in het New York van de eerste helft van de vorige eeuw. ,,Hoewel mijn vader altijd zijn brood wist te verdienen, waren ze betrekkelijk arm, vooral in de crisisjaren’’, vertelde hij in een interview.

Een van zijn autobiografische verhalen heet Het dagelijks brood. Daarin merkt de kruidenier Sam Tomasjevski dat in het pand naast hem een supermarkt komt. Zijn noodlot nadert in de vorm van een drastische verbouwing. ’s Nachts ligt hij er wakker van en fantaseert hij hoe schitterend die winkel zal worden. ,,Het was een genoegen er binnen te gaan.’’

Dan breekt de grote, maar verschrikkelijke dag aan. ,,Om acht uur reden er drie enorme vrachtwagens voor het blok, waar zes jongemannen uit sprongen in witte stofjassen, die de winkel in zeven uur bevoorraadden. De hele dag bonkte Sams hart zo hevig dat hij het soms streelde met zijn hand, alsof hij een vogel probeerde te kalmeren die weg wilde vliegen.’’