Hallo, je mag best trots zijn!

Diane Keaton is een geweldige comédienne, in vaak niet zo geweldige films. Maar waarom ziet ze dat zelf niet?

Sandra Heerma van Voss

Hoe brult een dame? Diane Keaton demonstreert het, in de komedie Baby Boom (1987). Ze speelt een zakenvrouw die zich, samen met haar van een ver familielid geërfde baby, uit de top van het New Yorkse zakenleven geslingerd ziet en terechtkomt in een bouwval op het platteland van Vermont. Na maanden van sneeuw en ellende stort ze haar hart uit bij de dorpsarts. „I’m so lónely, doctor”, snottert ze, „I’m so lónely.” Als een kleuter grijpt ze hem bij zijn boord en smeekt hem om hulp, of een kus, of allebei – totdat zich achter haar de volgende patiënt opdringt: een paard. De dorpsarts blijkt veearts. De driftbui waarin ze vervolgens ontsteekt is vintage Keaton: hysterisch en tuttig, razend en gegeneerd tegelijk. Een furie die eindelijk, totaal onverwachts, uit haar korset van sociaal wenselijk gedrag knalt.

Diane Keaton (in 1946 geboren als Diane Hall) is een comédienne van wereldklasse, die veel te vaak gecast wordt in films die minder goed zijn dan zij. Annie Hall, titeldrager uit Woody Allens komische meesterwerk uit 1977, is haar enige legendarische rol. Maar sinds die incarnatie van excentriek provinciaaltje in de grote stad heeft Keaton zich mede door haar eigenzinnige levenswandel ontwikkeld tot een emancipatorisch boegbeeld.

Haar voorkeur voor ‘mannenkostuums’ – coltrui, overhemd, vest en colbert, afgewerkt met stropdas en bolhoed – is al veertig jaar vrijwel onveranderd. Ook tijdens haar affaires met Woody Allen, Warren Beatty en Al Pacino bleef ze zich als single afficheren en gedragen: ze kocht, verbouwde en verkocht villa’s naar believen en adopteerde op haar vijftigste in haar eentje een kind, het meisje Dexter. Vier jaar later kwam daar nog een jongetje bij. Nu is Keaton een alleenstaande moeder op omaleeftijd, die zich op haar 57ste nog voor de camera liet verleiden door zowel de jonge god Keanu Reeves als de oude snoeperd Jack Nicholson (in het melige kassucces Something’s Gotta Give, 2003).

Maar dat is de buitenkant, de upside die het publiek het liefst van haar ziet. In Keatons onlangs in het Nederlands vertaalde memoires Then Again krijgen de flops, afwijzingen en lange hiaten in haar carrière evenveel plaats als de successen, en klinkt door alles heen haar kwellende, soms verlammende twijfel. Dat maakt Then Again misschien wel tot typische vrouwen-memoires: Keaton bevindt zich in de onmogelijke spagaat zichzelf zowel te boek te willen stellen als de grond in te willen schrijven.

Die carrière, die overkwam haar. Ze deed maar wat. Ze had geluk met al die briljante schrijvers, regisseurs en tegenspelers, zonder wie ze eigenlijk niets bijzonders was. De Oscar die ze voor haar rol als Annie Hall kreeg, was onverdiend, want ze „speelde zichzelf”.

Die fameuze kledingstijl had ze afgekeken van de hippe vrouwen die in de jaren zeventig de New Yorkse straten bevolkten. En dat lange, fitte lijf waar veel jongere tegenspeelsters haar om bewonderen, propte ze als beginnend actrice dagelijks vol met tienduizenden calorieën aan ijs, pannenkoeken en andere troep, om alles er vervolgens weer uit te kotsen. Net als miljoenen andere boulimiapatiënten leed ze in het geniep. Zelfs Woody Allen, die wel haar enorme eetlust opmerkte, wist niet dat ze zichzelf vijf jaar lang fysiek te gronde richtte. Hij stuurde haar wel, net als in Annie Hall, naar therapie, wat uiteindelijk tot haar genezing leidde.

Voor een lezer die oprecht van Keatons films geniet is de verontschuldigende, zelfkastijdende toon van Then Again nogal vermoeiend. Alsof je grote tennisheld je er omstandig van probeert te overtuigen dat hij zijn zeges toch echt, heus, enkel en alleen aan zijn rackets en zijn coach te danken heeft. Mens, denk je op den duur, wees toch wat trotser, op jezelf en op je talent – maar Keaton kan het niet. De verklaring daarvoor schuilt in het tweede leven dat in Then Again gememoreerd wordt: dat van Keatons moeder, Dorothy (1921-2008).

In tegenstelling tot haar oudste dochter deed Dorothy alles zoals het hoorde: ze trouwde jong, kreeg op haar 24ste haar eerste baby en koesterde voor zichzelf geen andere ambitie dan het meedoen aan de Miss America-verkiezingen. Ze bracht het tot Miss Los Angeles. Haar dagen waren gevuld met één grote, opzichtige demonstratie van hoe een harmonieus gezin in Californië in de jaren vijftig behoorde te leven.

Dat leek genoeg, totdat de kinderen het huis uit waren en ook de glazuurlaag op haar huwelijk met de nogal stugge Jack afbrokkelde; op haar 54ste, met nog ruim 32 jaar voor de boeg, zat Dorothy somber en verveeld in het grote gezinshuis en wist bij God niet meer hoe ze haar tijd zinvol kon besteden. Ze brandde nog van de artistieke en intellectuele ambities, maar ontbeerde de opleiding en de contacten om er iets mee te doen. Haar enige uitlaatklep waren haar dagboeken: ze schreef er 85 vol en Keaton citeert daar uitgebreid uit, in de hoop haar moeder zo alsnog de verdiende publieke erkenning te bezorgen. Want ook zonder de slimme, meelevende en dappere Dorothy was zij, Diane, niets geweest. Haar artiestennaam, Keaton, was de meisjesnaam van haar moeder.

Hoe ontroerend deze ode ook is, voor de lezer is het geen feest. Dorothy was inderdaad een intelligent mens, maar haar dagboeken ontaarden soms in geraaskal, en haar langzame afglijden richting dementie is schrijnend, maar niet uitzonderlijk. Bovendien blijkt nergens uit dat zij haar dochter haar filmsterrenleven misgunde; ze schrijft met verwonderde trots over de premières en ontmoetingen met beroemdheden en knipt fanatiek artikelen en foto’s over haar Diane uit. Keatons postume verontschuldigingen aan het adres van haar moeder zijn dus niet nodig. Maar ook dat dwangmatige sorry zeggen is vintage Keaton. Sorry dat ik besta, sorry dat ik zo grappig ben. Sorry.

Diane Keaton: Then Again, HarperCollins, € 23,99 (hardcover), of € 15,99. Nogmaals (vert. O. Biersma en L. Dorrestijn), De Bezige Bij, €19,90