Gezin in oorlogsgebied

Schrijver Arnon Grunberg bracht de vakanties van zijn jeugd veelal door in Duitse kuuroorden. „Ze liepen als kralen van een rozenkrans door mijn jeugd.”

In de jaren zeventig besloten mijn ouders me naar de Amsterdamse Montessori School (de AMS) te sturen. Die keuze lag voor de hand, mijn acht jaar oudere zus had ook daarop gezeten. Vrij veel kinderen van kunstenaars, journalisten en acteurs, kortom de elite, gingen naar de AMS. Zo herinner ik mij Jesse en Daan, de zonen van Peter Faber en Shireen Strooker, Bas Schat, de zoon van Peter Schat, en Tessel Ferdinandusse, dochter van Rinus Ferdinandusse. Maar ik betwijfel dat mijn ouders daarom voor de AMS hebben gekozen. Mijn ouders waren geen kunstenaars, en ik geloof niet dat ze ooit de behoefte hebben gehad om kunstenaar te worden. Voor zover ik kan nagaan hadden ze vermoedelijk ook om die reden geen last van extra minderwaardigheidsgevoelens ten opzichte van al die kunstenaars, journalisten en componisten.

Mijn ouders gedroegen zich in het algemeen vriendelijk maar afstandelijk. Zij hadden, althans dat is wat ik nu vermoed, last van chronische schaamte, en schaamte is een onderafdeling van het minderwaardigheidscomplex. Hun minderwaardigheidscomplex was democratisch: zij voelden zich minderwaardig ten opzichte van iedereen, zonder aanzien des persoons.

Wie er ook tegenover hen stond, de schaamte was er. Zij schaamden zich misschien nog het meest voor de ‘handwerkslieden’ die bij ons thuis kwamen helpen. Zo verdenk ik mijn vader ervan dat hij bang was in elkaar te worden geslagen – schaamte en angst gaan hand in hand. Als er een loodgieter of schilder bij ons aan het werk was, verliet hij het huis. Ik herinner mij een schilder die ik ‘Oom Joop’ moest noemen. Volgens mijn moeder had hij een oogje op haar. Of het bij verlangen is gebleven weet ik niet, ik vraag daar ook niet naar. Ouders hebben net als geliefden recht op geheimen.

Schaamte is besmettelijk. Ik leerde de schaamte kennen en zij heeft mij nooit meer verlaten. Vooral voor mijn ouders schaamde ik me. Het liefst had ik gehad dat ze in de buurt van de AMS onzichtbaar zouden worden, maar omdat mijn ouders daartoe niet bereid waren, deed ik in de buurt van de school alsof ik hen niet kende. Pas als wij ver genoeg van de AMS waren verwijderd zocht ik weer toenadering.

De grote vakantie

De grote vakantie of, beter gezegd, de terugkeer na de grote vakantie was een moment van intensieve schaamte. Klasgenoten waren naar Frankrijk, Italië of Griekenland geweest, soms zelfs naar Afrika of Amerika. Wij hadden slechts één bestemming: Duitsland.

Als voormalige Duitsers en slachtoffers van het Derde Rijk hadden mijn ouders een keer in de twee jaar recht op een kuur. Die kuur diende wel in een Duits kuuroord te worden gedaan. Een beetje het principe van de ontwikkelingssamenwerking: ze krijgen het geld, maar ze moeten het wel in ons investeren.

Ik durfde uiteraard niet te vertellen dat ik vier weken in een Duits kuuroord had doorgebracht. Daarom maakte ik er maar Zwitserland van, dat klonk stukken minder angstaanjagend; ik leerde liegen uit schaamte.

De eerste vakantie ging naar Bad Neuenahr, een stadje aan de Ahr, niet ver van Remagen, op een steenworp afstand van de voormalige hoofdstad van de Bondsrepubliek, Bonn. Dat was, als ik het me goed herinner, in de zomer van 1974. Ik was toen drie. Jaren later, na afloop van een tournee door Duitsland voor een van mijn romans, ben ik nog eens met mijn toenmalige vriendin naar Bad Neuenahr teruggegaan. Er was, zoals mijn moeder me altijd had verteld, één berg, beter gezegd een heuvel, die beklommen kon worden. En een warenhuis, waar mijn vader veel tijd van de vakantie schijnt te hebben doorgebracht. Mijn moeder dronk er geneeskrachtig water (het beroemde mineraalwater Apollinaris komt uit Bad Neuenahr). Wat ik deed, kan ik me helaas niet herinneren. Al vertelde mijn moeder me wel dat ze me naakt liet rondlopen, „omdat er wat lucht aan mijn lichaam moest komen”.

Na Bad Neuenahr volgden Braunlage, Hahnenklee, Titisee, Disentis (voor de verandering een Zwitsers kuuroord), Tegernsee, Lenzkirch, Hinterzarten; door mijn jeugd loopt een spoor van geneeskrachtig water en pensions waar de pensionhouder niet te onderscheiden is van een hospita.

Mijn moeder had een gewoonte die in de loop der jaren minder is geworden, maar die in de jaren zeventig nog in volle bloei was. Zij veronderstelde steevast dat het pension of het hotel in het kuuroord waar wij waren neergestreken het slechtste pension of hotel van de plaats was. We waren nog niet aangekomen of met een bezetenheid die aan het maniakale grensde, liep ze alle hotels en pensions in dezelfde prijsklasse af, verzocht vriendelijk of ze de kamers mocht zien en vertelde mijn vader vervolgens dat we de slechtst mogelijke keuze hadden gemaakt. Op een verhuizing naar een ander hotel of pension liep het echter nooit uit, het paradijs behield zijn hypothetische karakter. Wel verzamelden ze met ongekende gretigheid folders van hotels en pensions waar we nooit zouden logeren.

Veel van de zinnen die mijn moeder op vakantie uitsprak, begonnen met: „We hadden...” Dus: „We hadden naar dat hotel gemoeten”, of „we hadden hier niet moeten blijven.” Maar ook: „Ik had nooit met je moeten trouwen.”

Voor restaurants gold hetzelfde. Nadat wij met veel moeite een restaurant hadden gekozen en met niet minder moeite een keuze hadden gemaakt uit de gerechten, zei mijn moeder dikwijls, als het eten was geserveerd, maar soms ook als we het eten al hadden opgegeten: „We hadden naar dat andere restaurant moeten gaan.”

Een gezin op vakantie is een gezin in oorlogsgebied; de ergste ruzies uit ons gezinsleven vonden plaats vlak voor en tijdens de vakantie.

Treinreizen

Maar vakantie deed ook om een andere reden aan de oorlog denken. Aangezien wij geen auto hadden en mijn ouders allebei ook geen rijbewijs hebben, reisden wij per trein. Mijn moeder heeft eens gedreigd een koffer uit een trein te gooien. Dat was op weg naar Berlijn, waar een tante van mijn moeder in een bejaardentehuis woonde. Alleen met veel moeite kon men haar ervan weerhouden dat te doen, de koffer hing al half uit het raam.

In die tijd kon je koffers nog ‘opgeven’. De koffers reisden dan voor je uit en stonden als het goed was op de plaats van bestemming op je te wachten. Van deze service maakten mijn ouders altijd gebruik als we in de zomer op vakantie gingen. Wij gingen overigens slechts een keer per jaar op vakantie, op een uitstapje naar de tante van mijn moeder in Berlijn na.

Omdat mijn moeder – maar mijn vader ook wel, op een stilzwijgende manier – alles en iedereen ervan verdacht een dief te zijn, werd de inhoud van de koffers tot op het kleinste detail op een briefje genoteerd. In de koffer bovenop de kleren lag dan een velletje papier waarop de inhoud getypt stond, bijvoorbeeld: vier onderbroeken, zes paar sokken, twee korte broeken, vier hemden et cetera. Een kopie van dit briefje op carbonpapier – carbonpapier bestond toen nog, mijn ouders maakten er gretig gebruik van – ging mee in onze handbagage. (Toen ik de eerste keer op werkweek moest, had mijn moeder ook zo’n briefje in mijn rugzak bovenop de kleren gestopt. Ik keek in de jeugdherberg naar dat briefje en besefte dat ik hopeloos verloren was. Een intens en niet te overwinnen gevoel van heimwee bekroop mij. Ik ben jarenlang niet meer meegegaan op werkweek.)

Wanneer wij op de plaats van bestemming aankwamen, diep in de Duitse wouden, werden de koffers opgehaald van het kleine station. Vervolgens werden ze in de kamer van het hotel of pension direct geopend en zorgvuldig geïnspecteerd.

De vakantie begon met de angst voor diefstal en eindigde er meestal ook mee.

Wat mijn ouders in al die kuuroorden zochten, heb ik mij nooit afgevraagd. Ik denk nu dat ze zich met een zeker genoegen overgaven aan wat ze misten: het Duitse brood, dat in die tijd in Nederland nog moeilijk te krijgen was, het Duitse gebak, de Duitse Konditorei, Duitse televisie en kranten, het Duitse landschap.

Geneeskrachtig water

Mijn vader overleed aan het begin van de jaren negentig, maar de laatste jaren dat hij leefde, wilde hij niet meer met mijn moeder of met mij op vakantie, hij wilde rust. Mijn moeder is tot op hoge leeftijd een keer in de twee jaar naar Hinterzarten in het Zwarte Woud afgereisd, waar zij drie weken lang, vier weken was haar wat te veel geworden, op dezelfde wijze als in de jaren zeventig haar vakantie doorbracht, alleen nu zonder gezin. En ook het geneeskrachtig water dronk zij niet meer.

Ik heb geen enkele aversie opgelopen tegen Duitse kuuroorden, die als de kralen van een rozenkrans door mijn jeugd liepen; wanneer je namen van deze plaatsen achter elkaar zegt, lijkt het wel een gebed. Integendeel, met mijn eerste vriendinnetje, ik was toen nog geen twintig, reisde ik op onze eerste vakantie naar een Duits kuuroord. Omdat het niet ver was en niet heel duur, maar ook omdat ik wellicht toen al vermoedde dat mijn lot onlosmakelijk verbonden is met Duitse kuuroorden.

Er zit in 8½ van Federico Fellini een mooie scène waarbij mensen, ook de hoofdpersoon, gespeeld door Marcello Mastroianni, in een kuuroord in de rij staan voor geneeskrachtig water, een scène waaraan ik dikwijls terugdenk als het woord ‘vakantie’ valt.

Mijn latere vakanties heb ik veelal in Italië doorgebracht. Ik heb er nooit zoveel gewandeld als met mijn ouders in Duitsland. Wij wandelden door de Duitse heuvels met een wandelkaart in de hand. De wandelkaart bood houvast; als het mysterie zich zou openbaren, dan via de wandelkaart.

Italië was, denk ik nu, slechts een omweg voor de plek waar ik vroeg of laat toch weer zou uitkomen: een kuuroord in Duitsland.

Deze tekst is een voorpublicatie uit het boek Les vacances de Monsieur Grunberg (uitgeverij Lido). De gelijknamige tentoonstelling is van 10 febr t/m 18 maart te zien in Foam, Amsterdam. Inl: www.foam.org