Dieperliggend ongenoegen

Vandaag is het Gedichtendag, het volksfeest dat ernaar streeft alle Nederlanders en Vlamingen in aanraking te brengen met poëzie. In winkels, op stations, op straat, in de kranten, op radio, televisie: overal klinken gedichten.

Behalve in de klaslokalen van het voortgezet onderwijs. Daar had elke wiskundeles kunnen beginnen met een kwatrijn van Hugo Claus en de biologieles met een limerick van Drs. P. Maar de leraren staken.

Ze leggen het werk neer omdat hun zeven weken zomervakantie er zes worden, waarbij die zevende week ingezet moet gaan worden voor rapportvergaderingen en bijscholing. Ze staken omdat de afgesproken 1.000 jaarlijkse lesuren in de onderbouw alsnog worden vermeerderd met 40 uren. Ze staken omdat vrije feestdagen die in vakanties vallen niet langer elders in het jaar verdisconteerd worden.

Kortom, ze staken voor luxeregelingen die niet veel andere beroepsgroepen kennen. Hun acties wekken dan ook niet al te veel begrip. De acties betreffen immers vooral de leraren zelf, ze gaan niet erg over de leerlingen.

Er zijn nogal wat leraren die níet staken. Zij herkennen zich niet in de oplossing van de onderwijsbonden om de groeiende werkdruk te ondervangen. Die ligt in de intensiteit van hun werk, zeggen ze. Die los je niet op met een stuk of wat vakantiedagen meer. Die vraagt om kleinere klassen, bijvoorbeeld. Of om een kortere zomervakantie, in de vorm van een zomerschool. Want zwakke leerlingen worden eens zo zwak als ze langere tijd geen lessen volgen. Ook veel sterke leerlingen zakken onder hun niveau. Een intensieve manier van werken van een leraar die zijn werk serieus neemt, vraagt om extra investeringen. Maar die zijn niet met een oneliner te vatten en ongeschikt voor harde actie.

En toch moet de lerarenstaking serieus worden genomen. Zij is niet de som van zijn eisen, eronder schuilt ongenoegen dat sinds de invoering van de Mammoetwet in 1968 is gegroeid.

Onderwijsvernieuwing op onderwijsvernieuwing is er gesold met het onderwijzend personeel. Het kreeg dictaten opgelegd in de lijn van telkens nieuwe theorieën waarbij hun mening uit het veld werd weggewuifd door beroepsbestuurders die verre dienstreizen nodig vonden.

Intussen leverden de leraren salaris in. Wat ze in ruil kregen is hun successievelijk ook weer afgepakt.

En nu zijn de leraren opnieuw de pispaal. Het schort bij de leerlingen aan spellen, rekenen en maatschappelijke vaardigheden. En dat zou hún schuld zijn. Weer klinkt in ‘de’ politiek de roep om onderwijsverandering, nu richting goeie ouwe tijd: orde, tucht en rijtjes jaartallen leren. Met dezelfde onwezenlijke nostalgie eiste de Tweede Kamer een Nationaal Historisch Museum. Het jammerlijke resultaat is bekend.