De waarheid van de hond in de witte bontjas

De hond van Kuifje heet oorspronkelijk Milou. Ik lees het in een artikel over Benoît Peeters’ biografie van Kuifje-createur Hergé.

Wát? Bobbie is dus niet Kuifjes vriendje, ze is zijn vriendin. En niet zomaar een vriendin. Hergé vernoemde haar naar zijn eerste grote liefde. Milou is slim, aaibaar en zelfstandig. Dapper strijdt ze, zonder haar witte bontjas te bederven. Nu snap ik eindelijk waarom dit hondje lijdt aan spinnenvrees. Maar maak van Milou een Bobbie, en Kuifje wordt kinderachtig als Pluk van de Petteflet. Wat zou ik graag de Nederlandse vertaler even vragen: „Hoe haalde je het in je hoofd?”

Ik bel Jan Aarnout Boer op, de voorzitter van het Hergé Genootschap, en hoor dat de vertaler overleden is. Jammer.

„Waarom?” vraagt Boer. „Het is gewoon een hond. Zijn Nederlandse naam komt van het sigarenmerk ‘Bobbie’, dat had net zo’n beestje in zijn logo.”

„Dat Bobbie eigenlijk Milou is, verandert Kuifje volslagen voor mij”, zeg ik. Ik bedoel: ik vond de Kuifje-albums knap gemaakt, maar suf. En nu val ik ervoor.

Boer herinnert zich inmiddels één plaatje waarop hij Bobbie herkent als een verleidelijke vrouw, „op een boot”, in het album De geheimzinnige ster. Hij verdedigt de vertaler, die heeft het heus niet expres verkeerd gedaan.

Ik vrees dat hij gelijk heeft. Die vertaler heeft achteloos Milou ontkracht en Kuifje ontmand. Hij realiseerde zich niet eens dat hij de kern van Hergés werk aantastte. Met Bobbie aan zijn hiel is Kuifje een baardeloze blaag. Met Milou aan zijn zijde is hij een kwetsbare held. Het besef dat de almachtige Kuifje niet zonder vrouw kan, ontdoet hem van zijn oppervlakkigheid en bevestigt zijn mysterie.

Maar Milou is een hondje, waarom is ze niet gewoon een vrouw?

Het antwoord klinkt in de voorstelling Stanislavsky 1 van Maatschappij Discordia, over de Russische toneelgoeroe Konstantin Stanislavski. In die voorstelling zoekt een troep toneelspelers naar de verhouding tussen waarheid en werkelijkheid in het theater. Is het genoeg dat een actrice suggereert dat ze bloot is onder haar jas, of moet ze dat werkelijk zijn, zelfs al zie je het niet? En wat te doen met het duister op het toneel? Antwoord: „Er zijn nog steeds een paar lampen aan, anders kun je niet zien dat het donker is.” Dat is een waar woord, niet alleen in het theater, ook in de andere kunsten. Helderheid is de pest. De kunstenaar moet vertroebelen, verwarring stichten, iets laten voelen wat niet begrijpelijk is en dat ook nooit helemaal zal worden. Maar dat wel raakt. Omdat het verlangt.

In De Oude Kerk in Amsterdam zag ik hoe de studenten van de Gerrit Rietveld Academie zich die obscure objecten van hun verlangen voorstellen. De meeste studenten maakten werk in reactie op de Oude Kerk. OMG heet de expositie, de afkorting van Oh My God, een kreet van rituele opperste verbazing. Daarvoor is dit het juiste adres.

Ik zie Ganesj de olifantengod, hij hangt aan een vliegend tapijt. Aan de achterkant van het tapijt blijkt hij een broek en overhemd te dragen. „O, dus God is toch een man?” vraag ik aan de kunstenares. „Weet ik niet. Misschien heeft die God dat mannenpak daar alleen neergehangen.”

De schaduw van een niet bestaand venster schuift over de kerkmuren, alsof God hier de zon penseelt. Een andere videoprojectie vertaalt het glas-in-lood van een kerkraam naar licht in ijs. Een kroonluchter van honderden dikke witte geleedpotigen herinnert aan de plagen van Egypte. Een Argentijn maakte keramieken madonnasilhouetten, maar vertelt me over zijn grootmoeder aan de andere kant van de oceaan. Er zweeft een appel in de kerk. Het is een vreemde appel, dubbelzijdig, dubbeldik. De appel van de boom der kennis. De appel van de slang. De appel van Apple, het bedrijf van de heilig verklaarde Steve Jobs. Mag ik ook denken aan de magische appel van Apple Records van The Beatles? Aan de appel van Paris, het begin van de Trojaanse oorlog? Aan de appel van Sneeuwwitje? Het kan allemaal.

Want wie kunst maakt, is een schepper. Sterk als een god, eigenwijs als een god. Wankel als een god. Almachtig, op voorwaarde van de steun van die kleine witte hond: zij licht het donker bij.