'De strijd gaat soms over één woordje'

Wie Bert de Haas (47)

Wat Vakbondsbestuurder Abvakabo FNV en eerste onderhandelaar voor de cao van gemeenten.

Thuis: Getrouwd, zoon van 13 en dochter van 15

Speerpunten

1) ‘Van werk naar werk’: zowel gemeenten als ambtenaren die hun baan verliezen moeten zich inspannen totdat een nieuwe functie is gevonden.

2) Koopkrachtbehoud: Rond de 2 procent loonsverhoging per jaar om de inflatie te dekken.

3) Kwaliteit van werk: Gemeenten moeten meer investeren in vast personeel, in plaats van in tijdelijke uitzendkrachten.

Bert de Haas „Na de stakingen zaten we in december voor het eerst weer aan tafel. In Oudaen, het stadskasteel in Utrecht. De formele onderhandelingen voeren we in een sfeervolle ruimte. Je hebt een prettige ambiance nodig voor openheid, om tot creatieve oplossingen te komen. Eerst trekken de delegaties zich terug voor een vooroverleg. Wij eten dan vaak met soep met broodjes. De gemeenten betalen de rekening.”

„Zo’n vergadering kan van zeven uur ’s avonds tot vier uur ’s nachts duren. Tussendoor wordt er geschorst, zodat de delegaties zich kunnen terugtrekken om hun standpunt te bepalen. Of om even te wandelen, te ontspannen of een sigaretje te roken. Als de sfeer aan tafel zich verhardt, zoeken de eerste onderhandelaars elkaar even op. ‘Weet je wat voor ons het grootste probleem is?’, zeg je dan. ‘Dit en dat’. Zo kun je elkaar vinden.”

„Als de onderhandelingen vastlopen, is het soms een spelletje: wie van de twee gaat het overleg afbreken? Is het de tegenpartij, dan kun je tegen je achterban zeggen: zij hebben de stekker er uitgetrokken, wij wilden wel verder. Dan kom je moreel sterker uit de strijd.”

„In mei vorig jaar waren wij het die braken. Op de dertiende, een vrijdag. De werkgevers hadden ons in april een eindbod gedaan. Jaarlijks 1 procent loonverhoging, een slap verhaal over ‘kwaliteit van werk’ en een loopbaanbudget van 500 euro voor werknemers, betaald uit hun opleidingsbudget. Een sigaar uit eigen doos, zoals we dat zo mooi in vakbondstermen zeggen.

„Geen letter wilden de werkgevers veranderen, dat zeiden ze letterlijk. We waren zo boos, het was zo onredelijk. We hebben nog netjes een hand gegeven en zijn vertrokken. De sfeer was kil. We hebben niet direct nee gezegd, maar onze leden laten stemmen: 87 procent wees het in juni af. Als laatste poging hebben we een ultimatum met enkele wijzigingen voorgesteld.

„De strijd gaat soms over één woordje in de tekst van het akkoord. ‘Werkgarantie’ willen de werkgevers er níet in hebben. Maar ‘van werk naar werk-begeleiding’ mag weer wel. Een ander verbod is ‘de garantie dat geen gedwongen ontslagen vallen’. Dat willen ze absoluut niet. Mijn overtuiging is dat het gecoördineerd beleid is vanuit het Rijk, vanuit Binnenlandse Zaken. Zulke woorden mogen in geen enkele ambtenaren-cao staan.”

„Onze allergie is dan weer een woord als ‘intentie’ of ‘het uitgangspunt moet zijn dat’. Klinkt mooi, maar het is niet hard. We willen garanties hebben.”

„Ik vind de werkgevers afwachtend, krampachtig. Tot 2020 zal 70 procent van de ambtenaren door natuurlijk verloop afvloeien. Dat staat gewoon in een overheidsrapport, De Grote Uittocht. Op korte termijn moeten tien à elfduizend arbeidsplaatsen verdwijnen, op lange termijn ontstaat een tekort aan mensen. We moeten nú investeren in de opleiding van jongeren en in de vaste krachten die we straks keihard nodig hebben. Níet in dure tijdelijke krachten van buiten. Maar de werkgevers komen niet met een antwoord. Wethouders zouden het tegen hun colleges moeten durven zeggen, ondanks de bezuinigingen. Wat ik mis, is een beetje lef. De onderhandelingsruimte is minimaal.”

„Het is een lange weg. Informeel wordt er al gepraat vanaf september 2010. Toen kreeg ik nog applaus van de werkgevers. Het is gebruikelijk dat je begint met een pleidooi, om te kijken waar je elkaar kunt vinden. Ik vertelde toen over het natuurlijk verloop tot 2020. Maar ook wat werknemers in ruil voor werkzekerheid moeten doen: zich flexibeler op de arbeidsmarkt opstellen, investeren in hun eigen loopbaan. ‘Goed verhaal Bert’, zeiden ze, ‘prachtig!’ Als je dat samen deelt, zou je er toch uit moeten kunnen komen. En gek genoeg lukt dat dan niet.’

„Op 1 februari proberen we het nog één keer. Maar ik zie het somber in.”