Dat zou mijn dochter/ zoon ook kunnen

En soms lijkt dat waar. Maar volgens kunstkenners en ook wetenschappers is er wel degelijk verschil.

Een neus op je wang. Een arm die ontbreekt. Ledematen die te kort of te lang zijn. Je zou een onzekere peuter kunnen vermoeden achter sommige werken van Paul Klee. De tentoonstelling in Amstelveen laat zien dat de Cobra-schilders hem bewonderden omdat hij de ondoordachte en ongekunstelde kinderhand benaderde.

Toch schilderde Klee niet als een kind. De Britse ontwikkelingspsychologe Annette Karmiloff-Smith wijst erop dat Klee een flexibiliteit en creativiteit aan de dag legt die jonge kinderen niet hebben. Zijn In Memoriam uit 1938 illustreert dat: „Je ziet twee met elkaar vervlochten halve gezichten. Het oogt kinderlijk, maar jonge kinderen zijn niet zo flexibel. Klee speelt veel geraffineerder met losse elementen.”

Maartje Raijmakers van de UvA beaamt dat. „Oppervlakkig oogt een deel van het werk van Klee en Cobra als kinderwerk. Dat zou mijn dochter ook kunnen, zeggen mensen dan. Ze gaan voorbij aan de kennis die nodig was om deze werken te maken.” Studies van Karmiloff-Smith en Raijmakers tonen aan dat expliciete kennis over een onderwerp de creativiteit niet in de weg hoeft te staan. Raijmakers: „Hoe beter je expliciete kennis kunt verwoorden, hoe beter je die toepast op verschillende situaties. Dat maakt je flexibel en dus creatief.”

In een veel geciteerd onderzoek heeft Karmiloff-Smith laten zien dat een gebrek aan kennis jonge kinderen in de weg zit (Cognition, 1990). Ze testte creativiteit door kinderen te vragen om een gek huis of een gek mannetje te tekenen. Heel jonge kinderen kwamen meestal niet verder dan het weglaten van een mond, deur of been. Iets oudere tekenden een huis met een rond dak of een mannetje met een driehoekbuik.

Kinderen van acht of negen waren nog flexibeler. Zij tekenden huizen in de vorm van een raket of een ijsje. Kinderen van een jaar ouder maakten poppetjes met zes armen of vijf hoofden. Of een gezicht met ramen op de plek van de ogen. „Ze combineerden elementen uit verschillende categorieën. Daarbij is de expliciete kennis over hoe een huis of mens is opgebouwd cruciaal.” Zo werkt het ook bij het vertellen van een verhaal, het bouwen met blokken of het schrijven van een gedicht. „Als een dichter schrijft over een bevroren glimlach dan combineert hij verschillende domeinen”, zegt Karmiloff-Smith. „Voor die flexibiliteit is expliciete kennis nodig.”

Raijmakers breidt de theorie uit naar de natuurwetenschappen: „Kinderen van een jaar of zeven gaan ervan uit dat objecten altijd even snel vallen, ook op de maan of in een ruimteschip. Later krijgen ze andere kennisbronnen, omdat ze een filmpje zien over een maanlanding of omdat de juf erover vertelt. Nog veel later doen ze geavanceerde kennis op over zwaartekracht. Ze realiseren zich misschien dat die afhankelijk is van de massa van een planeet en dat iets daarom op aarde sneller valt dan op de maan.”

Die kennis helpt kinderen om flexibel over zwaartekracht te denken. Dat ze op de maan makkelijker een hoge sprong kunnen maken dan op de aarde. Ze kunnen zich inbeelden hoe het is om een glas leeg te drinken in een ruimteschip.