Weer zijn er vragen over de methode-De Hond

Opvallende peilingen leiden steevast tot vragen over de betrouwbaarheid van het onderzoek. Nu is de SP opeens hard gegroeid. Kloppen de cijfers wel?

Den Haag. - Maurice de Hond is er inmiddels aan gewend. Zodra hij met een spectaculaire uitslag van zijn wekelijkse verkiezingspeiling komt, worden vraagtekens geplaatst bij zijn onderzoeksmethode. Zo was het al in 1976 toen hij via het VARA-radioprogramma In de Rooie Haan het verkiezingsonderzoek „volgens de methode-De Hond” introduceerde. Zo is het ook nu weer, nadat hij afgelopen zondag had gemeld dat volgens zijn jongste peiling de SP virtueel was uitgegroeid tot grootste partij van het land.

Hoe betrouwbaar is die peiling eigenlijk? Die vraag is Maurice de Hond sindsdien ettelijke keren per dag wordt gesteld. Want wijken zijn resultaten niet aanzienlijk af van de peiling van Ipsos Synovate dat elke twee weken de politieke barometer publiceert? In zijn voorlaatste onderzoek gaf De Hond de SP 30 zetels. Synovate kwam diezelfde week niet verder dan 22 zetels voor de partij van Emile Roemer. „Ik doe het goed en zij niet”, is het gedecideerde antwoord van De Hond.

Een bewijs voor zijn gelijk ziet hij in de resultaten van de derde Nederlandse verkiezingsonderzoeker, TNS Nipo. Dat bureau kwam in de week van 12 januari uit op 26 zetels voor de SP. De Hond telt er weliswaar vier meer, maar, zegt hij, zijn peiling was drie dagen later. Er is een trend, en die is dat de SP flink stijgt en de populariteit van de PVV afneemt. Dat is ook de ontwikkeling die Ipsos Synovate waarneemt.

Uit het onderzoek van De Hond blijkt dat de grootste verschuivingen zich voordoen onder de kiezers met de laagste inkomens. Volgens hem hebben meer mensen door de recessie zorgen over hun eigen financiële positie en bestaat er huiver over de gevolgen van mogelijke nieuwe bezuinigingen.

Omdat de PVV als gedoogpartij wordt beschouwd als onderdeel van het kabinet, heeft ze het met name moeilijker om de gunst te behouden van mensen met lagere inkomens. Het omgekeerde gaat op voor de SP, die juist aantrekkelijker wordt voor die categorie.

Aldus de analyse van De Hond.

Dat laat de kritiek onverlet dat zijn onderzoek, dat hij uitvoert via de website Peil.nl, niet representatief zou zijn. Zo stelde Joop van Holsteijn, hoogleraar verkiezingsonderzoek in Leiden, ruim twee jaar geleden op de NRC-website: „Waar het eerst en vooral misgaat met Peil.nl, is dat de groep deelnemers aan de peiling niet het resultaat is van een willekeurige (aselecte) selectie van Nederlandse kiesgerechtigden.” De mensen die door De Hond worden ondervraagd, hebben zichzelf bij de website Peil aangemeld. Daardoor zouden zij niet representatief zijn voor het Nederlandse electoraat.

Die conclusie is niet terecht, zegt De Hond. Wie zich aanmeldt bij Peil, doet dat door een vragenlijst in te vullen waarop onder andere naar eerder stemgedrag wordt gevraagd. Op basis van die informatie stelt De Hond dan een representatieve groep samen die een zo goed mogelijke afspiegeling van de Nederlandse kiezers vormt. Bovendien verdisconteert hij het eerdere stemgedrag van de kiezers in zijn cijfers. Dat is de befaamde methode-De Hond.

Van Holsteijn is niet onder de indruk. „De claim van representativiteit is eerder een staaltje bluf dan een positie die wetenschappelijk gestut is.”

Daar wordt De Hond dan weer boos over. „Makkelijk geredeneerd vanuit de ivoren toren”, zegt hij, om er fijntjes op te wijzen dat Van Holsteijn er zelf met verkiezingsonderzoeken voor het tv-programma Eén Vandaag flink naast zat. Meer dan hij in elk geval.

Dat peilingen niet vergeleken kunnen worden met een echte verkiezingsuitslag, is een voorbehoud dat opinieonderzoekers altijd maken. Het gaat slechts om momentopnames. Zeker als verkiezingen nog ver weg zijn, is er van alles dat het stemgedrag van kiezers nog kan beïnvloeden.

Politici zeggen het de onderzoekers graag na; vooral als de peilingen minder gunstig voor hen uitpakken. Om vervolgens met spanning naar de de volgende peiling uit te kijken.