Spekmans armoe

Het huis van Hans Spekman, de nieuwe, truidragende PvdA-voorzitter, was op televisie. Het is een eenvoudig stulpje. Terwijl Spekman vertelde, repareerde zijn vrouw op de achtergrond met naald en draad een kapotte broek.

Arm is Spekman niet, maar hij was het ooit wel. Daarover vertelt hij in bijna elk interview, gedetailleerd en openhartig. Over zijn opa, Manus Spekman, een landarbeider die zijn pet moest afnemen voor de „hoge heren”. Over zijn oma, die haar eigen kind moest aborteren met een breinaald. Over zijn moeder, die op haar elfde ging werken als spruitjesplukker.

Kleine Spekman zelf kon op voetbal van het geld dat mama bespaarde door zelf truien te breien. Eén keer kreeg Hansje een nieuwe trui, van McGregor – een ongekende weelde. Televisie had je niet.

Er zijn meer politici van eenvoudige komaf, maar niemand is zo gewoon gebleven als Spekman. Ahmed Aboutaleb, bijvoorbeeld, werd geboren in het Rifgebergte, maar hij poetste die roots weg en praat nu bekakt.

Spekman zegt nog steeds „je hep”.

Henk Bleker acteert als boer, maar is academicus met een doctorsgraad. Emile Roemer speelde weliswaar in een dweilorkest, maar draagt nu jasje-dasje.

„Een jasje”, vindt Spekman, die ooit als lasser werkte, „is alleen handig als je geen broekzakken hep”.

Spekmans armoe is zijn kapitaal. Hij als enige mag twitteren over de „elitelinkse” Volkskrant en over de grachtengordel, die out of touch is met de echte mensen, die in Bos en Lommer wonen, die alleen hij kent. Spekmans trui is heel anders dan Plasterks hoed.

Een overweldigende meerderheid koos hem zondag als nieuwe voorzitter. Want ook de PvdA heeft heimwee naar authentieke armoe. De partij koestert weemoed naar vroeger, toen je nog echte mensen had, die je allemaal kon verheffen. Maar inmiddels is iedereen wel zo’n beetje verheven. De armen hebben nu smartphones en sneakers en flatscreens en kapsones en zij stoppen hun sokken niet.

Toen Spekman wijsbegeerte studeerde, ontwikkelde hij een voorliefde voor de Stoïcijnen, filosofen die onthechting en armoede predikten. Ook al waren ze soms, zoals Seneca, steenrijk. „Armoede”, schreef Seneca, „is grote rijkdom.”

Arjen van Veelen