Politieke partijen en hun geld

Met de snelheid van een slaperige slak heeft politiek Den Haag de afgelopen jaren gewerkt aan plannen om de financiering van politieke partijen aan regels te binden en transparant te maken. Maar zie nu eens: vandaag en morgen behandelt de Tweede Kamer zowaar een voorstel van minister Spies (CDA) waarmee eindelijk tegemoet wordt gekomen aan een advies van de Raad van Europa, dat al uit 2003 dateert.

Eerdere ministers van Binnenlandse Zaken, Remkes (VVD), Ter Horst (PvdA), hielden zich al met dit of een soortgelijk voorstel bezig, evenals uiteraard Spies’ directe voorganger, haar partijgenoot Donner. Maar van een parlementaire afronding kwam het maar niet, terwijl het advies erover van de Raad van State ook al weer bijna zes jaar oud is.

Anders dan in publiekelijk beleden opvattingen erover hadden de fracties in de Tweede Kamer blijkbaar weinig behoefte om voort te maken met het verschaffen van inzicht over de financiële steun die zij van particulieren en bedrijven ontvangen. Een gênant voorbeeld daarvan gaf het CDA. Die partij kreeg kort voor de landelijke verkiezingen van 2010 een gift van 100.000 euro van een bedrijf waarvan het de naam weigerde bekend te maken. Dat was overeenkomstig de toen geldende regels, maar wel in strijd met de voorstellen die bij het parlement waren aangekondigd.

Het is niet bezwaarlijk dat bedrijven en particulieren politieke partijen financieel steunen, maar het gevaar van belangenverstrengeling ligt op de loer. Daar is maar één antwoord op: openbaarheid. In het wetsvoorstel worden partijen verplicht eenmaal per jaar een overzicht te geven aan de minister van Binnenlandse Zaken; dat overzicht moet terecht openbaar worden gemaakt. Het kabinet heeft ervan afgezien om giften aan een maximum te binden. Dat is aanvaardbaar mits onder de garantie van absolute openheid. Want de kiezer zal zelf beseffen: hoe groter de gift van een bedrijf of particulier, hoe kwetsbaarder een partij zich lijkt te maken voor vriendjespolitiek. Omgekeerd is het de vraag waarom openbaarheid pas wordt gewenst voor giften van 4.500 euro of meer. Ook hier geldt: de beste transparantie is maximale transparantie.

Daarom is het ook te betreuren dat de nieuwe wet volgens het kabinet voorlopig slechts van toepassing zal zijn op landelijke partijen. Juist op het lokale of regionale niveau, met zijn kortere afstand tussen kiezer en gekozene, is de kans op nepotisme het grootst.

Een ander mankement in het voorstel is dat het toezicht in handen wordt gegeven van de minister van Binnenlandse Zaken. Een partij die de wet overtreedt, kan een bestuurlijke boete krijgen. De minister moet erover oordelen. Hij of zij is bijna per definitie lid van een politieke partij en kan zo schijn tegen zich krijgen. Het is dus beter dat een onafhankelijk, letterlijk onpartijdig, orgaan de naleving van de wet controleert.