Ik dacht te lang dat we het zouden redden

Winkeliers hebben het moeilijk. Het aantal faillissementen stijgt. Aat van den Akker sloot na tien jaar zijn bruidszaak Avenue

Redacteur Sociale Economie

Op het eerste gezicht lijkt alles tiptop in orde. Aat van den Akker (50) en zijn vrouw Eline Hoogendijk (49) zitten in hun keurige nieuwbouwwoning, in een randgemeente van Rotterdam, op wit leren banken. De poes wandelt over de leuning. In de hoek, naast de openhaard, staat de flatscreen-tv, een schuifpui geeft toegang tot de tuin. Op tafel een schaal met koekjes.

Dan het tweede gezicht.

Het blijkt er fris – de verwarming staat op 14 graden. In de vriezer liggen ingevroren aanbiedingen van de markt en maaltijden gekregen van vrienden. Gaan ze ’s avonds naar bed, dan nemen ze allebei een slaappil. In slaap komen als je zo ligt te piekeren, lukt niet erg. Volgende week staat er voor Eline Hoogendijk weer een afspraak gepland bij de psycholoog.

Dat ze letten op de energierekening en de hulp van hun naasten goed kunnen gebruiken, vindt Van den Akker niet het ergste. „Het is allemaal wel te doen. Trek je gewoon een trui aan.” De gevolgen die het sluiten van bruidswinkel Avenue geestelijk op hen heeft, zijn ingrijpender. Op 24 juni werd hun winkel op de Rotterdamse Lijnbaan failliet verklaard. „Dat is ruim een half jaar geleden, maar het gaat maar door. Vanwege mijn resterende twee bv’tjes krijg ik elke keer weer een stapel blauwe enveloppen binnen, de curator komt soms nog met vragen en wekelijks staat er een deurwaarder op de stoep omdat iemand denkt nog van ons te kunnen plukken. Ik had al mijn privévermogen in de zaak gestopt en een tweede hypotheek op het huis genomen. We hebben helemaal niets meer.”

Het leidde bij haar tot een depressie, bij hem tot faalangst. Hij heeft een paar sollicitaties gehad – het liefst zou hij als inkoper aan de slag gaan – maar dat werd niks vanwege zijn leeftijd, zegt hij. Zijn vrouw vond voor twee dagen werk als wetenschappelijk plantentekenaar bij de Universiteit Leiden. Een van zijn voormalige kledingleveranciers zou met hem een groothandel in avondkleding willen beginnen. Dat wil Aat van den Akker ook wel. „Die collectie liep bij Avenue als een tierelier. Mooie japonnen, goedkoop gemaakt in China.” Maar hij aarzelt nog. „Inkopen en verkopen kan ik, maar financieel vind ik mezelf niet zo sterk. De twijfel aan mezelf is groot, en dat belemmert.”

Van den Akker was tien jaar directeur van Avenue. Zijn vrouw werkte er ook jarenlang, tot zij in 2006 een burn-out kreeg. Hun eerste schreden in de bruidsmodebranche dateren van nog langer geleden. Als eind jaren tachtig plotseling haar moeder overlijdt, moeten ze iets met de achtergebleven winkel in maatwerk en bruidsmode. Het is zomer en er hangen ruim honderd jurken van vrouwen die dat najaar zullen trouwen.

Hun leven verandert in korte tijd drastisch. Van inkoper bij een roetfabriek (hij) en tuinarchitect (zij) ontwikkelen zij zich tot ondernemers in de bruidsbusiness. Hij begint er een groothandel in bruidsaccessoires bij, Art of Sweetheart, zij runt de winkel. Als vertegenwoordiger komt hij ook bij andere bruidszaken, waaronder Avenue. Daar hoort hij dat de eigenaren met pensioen gaan. Hij ziet er een „opportunity” in. Na een moeizame start – de winkel draait goed, maar ze blijken ook een schuld van 750.000 euro overgenomen te hebben – groeit Avenue uit tot een van de grootste bruidszaken van Nederland met een jaaromzet van 2,5 miljoen euro.

De laatste twee jaar voor het faillissement gaat het slechter. „De crisis dondert er vanaf 2008 ook bij ons in.” Per jurk wordt gemiddeld nog 1.300 euro besteed in plaats van 1.600 euro. Op een aantal van tweeduizend stuks per jaar betekent dat een omzetverlies van 600.000 euro. Redenen voor de ingezakte markt, behalve dat trouwen tegenwoordig niet meer hoeft en conjunctuurgevoelig is, zijn er ook meer ‘slimme’ consumenten. Die kwamen steeds vaker terug om te passen, maar kochten niks („die hadden we soms wel acht uur in de winkel, met alle bijbehorende kopjes koffie en begeleiding van de verkoopster”), die in de winkel in hun favoriete jurk naar andere zaken belden en vroegen of hij daar niet voor minder te koop was („echt gebeurd”), en klanten die hun droomjurk fotografeerden om goedkoper na te laten maken, onder meer in China.

In april 2011 valt de genadeklap. Wekenlang komt er niets binnen. Van den Akker krijgt moeite met het uitbetalen van het salaris aan zijn 35 personeelsleden, de huur en de belasting. Met alle leveranciers kan hij een afbetalingsregeling treffen, met de huurbaas en Belastingdienst niet. Hij loopt een maand achter met de huur (20.000 euro), de fiscus krijgt nog zo’n 40.000 euro. Die laatste legt op donderdag 16 juni beslag op de inventaris en kondigt een executieverkoop aan. De volgende dag komen de eerste telefoontjes van bezorgde bruiden. Kunnen zij fluiten naar hun bestelde jurk? In de winkel wordt het steeds drukker met vrouwen die nú hun jurk willen. Omdat het personeel bedreigd wordt, gaat de winkel een uur voor sluitingstijd dicht. Het weekend wordt alleen aan bruiden met een afspraak geleverd.

Bij het naaiatelier aan de Goudsesingel is de chaos groter. Huilende vrouwen, een enkele klant zelfs met mes of pistool op zak, en pers die daarvan verslag doet.

De surseance die is aangevraagd, leidt tot niets. De winkel blijft dicht. Het imago is geschaad. Van den Akker had een doorstart willen maken, een pand in de Spaanse Polder had hij al op het oog. „Maar binnen één week was het bekeken.” Daar zaten ze, thuis. „Ik zat vol energie door een maagverkleining een half jaar ervoor, ik was 55 kilo afgevallen.”

Over het verzoek om aan het interview mee te werken, moesten ze nadenken. Zij: „Zaten we er wel op te wachten dat iemand al die shit zou opschrijven?” Ze deden het toch. Niet omdat erover praten „therapeutisch” werkt, zoals hij na twee uur concludeert, maar omdat ze hopen dat er vanuit de overheid meer aandacht en zorg komt voor mensen zoals zij. Voor ondernemers die na jaren hard werken hun winkel moeten sluiten, geen recht hebben op een uitkering, maar wel een bijdrage hebben geleverd en willen leveren aan een veelzijdig straatbeeld. Een taskforce bijvoorbeeld. „Het verdwijnen van het midden- en kleinbedrijf verarmt onze hele maatschappij.” Er gaat zoveel geld naar starters, zegt hij, maar behoud die ondernemers ook. „Hier word je toch een beetje aan de schandpaal genageld, terwijl het in de VS een pre is. Tommy Hilfiger is met zijn derde bedrijf bezig.”

Help je een ondernemer weer in het zadel, dan stroomt er zo weer belastinggeld binnen. Daarom vinden ze het vreemd dat ze niets hoorden van de instanties. „Niet van de Belastingdienst, niet van de branchevereniging. Alleen de Kamer van Koophandel belde.”

Kunnen ze zichzelf iets verwijten? Hij kan zichzelf aanrekenen dat hij „te lang heeft gedacht dat we het zouden redden. De curator zei dat ik een jaar eerder al aan de bel had moeten trekken.” Desondanks blijft de schuldvraag in hun hoofd malen. Zij: „Je voelt je er schuldig over dat anderen door jou de dupe worden, klanten en medewerkers. En die tien jaar van je leven die je in de zaak hebt gestoken, krijg je niet terug. Je kunt ze niet meer overdoen.”

In Achter de getallen belicht nrc.next de mensen die schuilgaan achter statistische cijfers.