Heel, heel pril gloort er wat optimisme

Terwijl het IMF opnieuw zijn prognoses voor de wereldeconomie verlaagt, ontkiemt op de markt hier en daar voorzichtig het optimisme

Economisch commentator

Rotterdam. „Een gevaarlijke nieuwe fase”, noemde directeur Christine Lagarde van het Internationale Monetaire Fonds de vooruitzichten voor de wereldeconomie in oktober vorig jaar. Het instituut had zojuist nieuwe prognoses voor de economische groei uitgebracht en die logen er niet om. Amerika worstelde met de werkgelegenheid. China kampte met de eerste verschijnselen van oververhitting. En bovenal was het de eurozone die met zijn schuldencrisis de rest van de wereld met zich mee dreigde te slepen.

Als er toen al sprake was van gevaar, dan moet het nu bloedlink zijn in de wereldeconomie. Het IMF schaafde gisteren nog eens 0,7 procent van de economische groei af. De VS blijven weliswaar hangen rond een groei van 2 procent dit en volgend jaar, maar kunnen lijden onder het beleidsinfarct dat een verkiezingsjaar pleegt te kenmerken. De Chinese groei lijkt, met rond de 8 procent, meer dan gezond, maar zo’n expansie is nauwelijks voldoende voor de stroom werkzoekenden die vanaf het platteland een beter leven zoeken in de stad.

En Europa? Dat kampt volgens de IMF-prognoses dit jaar met een recessie, al blijft die in het noorden aan de lichte kant. In de zuidelijke probleemlanden zal zij zwaar zijn: zowel Italië als Spanje kan rekenen op krimp in 2012 en 2013.

Zwartgalligheid is makkelijk. De Chinese vastgoedprijzen zijn inmiddels op de terugtocht en dat kan grote gevolgen hebben voor de economie. In de VS lijkt de economische impuls die president Obama wil toedienen in het verkiezingsjaar kansloos tegenover de Republikeinen, die hem een opleving van de werkgelegenheid niet gunnen. En in de eurozone zijn de problemen verre van opgelost. Gisteravond gingen de moeizame onderhandelingen met de financiële sector over een Griekse schuldsanering door, en ook de rest van Zuid-Europa krijgt recordbezuinigingen opgelegd die de economie verder drukken.

Tussen al dat doemdenken lijkt er één factor zich minder dan verwacht iets aan te trekken van de stemming. En dat is de bedrijvigheid zelf. In wat het diepst van de economische winter lijkt, komen ze voorzichtig op tussen het puin van de creatieve destructie: de groene scheutjes of ‘green shoots’, zoals ze in het jargon van de financiële markten heten.

Die gedachte begint vaak op de financiële markten, die het jaar goed zijn begonnen. De koersen trekken aan, de gevaarlijk hoge rentevoeten op staatsobligaties in Zuid-Europa zijn, ondanks de recente golf van afwaarderingen door kredietbeoordelaar Standard & Poor’s, gedaald. Daaruit concluderen handelaren dat het kennelijk wat beter gaat, waarna dit nieuwe idee in een spiraal van zelfversterking zijn weg weer vindt naar de koersen zelf. Optimisme in vol bedrijf dus, al is het pril.

Zeer pril. Eind vorige week concludeerden de economen van Citibank, onder leiding van Willem Buiter, dat de economie in het vierde kwartaal van vorig jaar en het huidige kwartaal niet zo slecht uitvalt als gedacht. De zogenoemde ‘surprise index’ voor de eurozone, waarin opvallend goede of slechte cijfers figureren, is voor het eerst sinds juli vorig jaar weer positief. Citibank vindt het nog te vroeg om af te wijken van haar negatieve scenario voor de rest van het jaar. De invloedrijke strateeg Jim O’Neill van de Amerikaanse zakenbank Goldman Sachs liet afgelopen weekeinde ook al voorzichtig optimistische geluiden horen. Er is, zowel in de VS als in Europa, sprake van een ‘veranderende stemming’, aldus O’Neill.

Dat bleek gisteren, toen in Europa een serie van toonaangevende, vooruitlopende, indicatoren werd gepubliceerd over de maand januari. Het gaat hier om de ‘purchasing managers indices’ (PMI’s), een enquête onder inkoopmanagers van bedrijven, die uit de VS is overgewaaid, en die doorgaans een goed beeld geeft van de bedrijvigheid in de naaste toekomst. De gemiddelde PMI van de eurozone steeg van 48,3 naar 50,4. Een cijfer van boven de 50 duidt op expansie, zij het in dit geval een zeer voorzichtige. Zo voorzichtig dat economen van de ING in een reactie zeiden dat zo’n eenmalig cijfer een te zwak bewijs is om al van ‘green shoots’ te spreken. Maar: „Dit voorzichtige bewijs suggereert dat de neergang in Europa zijn diepste punt kan hebben bereikt.”

Als het tij inderdaad lijkt te keren, is er dan een aanleiding aan te wijzen? O’Neill wijst, zoals wel meer economen doen, op het sluipende succes van de Europese Centrale Bank. Die leende vlak voor Oudjaar de banksector het enorme bedrag van zo’n 500 miljard euro, tegen een zeer lage rente van 1 procent en een extreem lange looptijd van drie jaar. Eind februari volgt een herhaling.

Het kan zijn dat dit paardenmiddel de vastgelopen Europese banksector wat vlot trekt. En aangezien de eurocrisis de stemming over de hele wereld drukt, zou het wegebben van het extreme risicobewustzijn op de financiële markten en het bedrijfsleven wel eens het startschot kunnen blijken voor de langverwachte opleving. Als niemand de prille groene scheutjes in de tussentijd vertrapt. Dat wel.