Een buiging in het museum doet wonderen

Om meer bezoekers te krijgen, worden musea een soort pretparken

Jaap Proost

Een bezoek aan een museum is tegenwoordig meer dan kijken, het is beleven. Een witte muur alleen volstaat niet meer om de collectie te tonen. Het publiek wil meer, het liefst een ‘multizintuiglijke ervaring’ door middel van beeld en geluid. Flatscreens zijn net zo belangrijk als de vitrinekasten.

We waren gewend dat in het museum dezelfde eerbiedige stilte hangt als in een oude kerk op vakantie. Deze stilte maakt het verstrijken van tijd dat om een eeuwenoud schilderij hangt, tastbaar. Of het helpt je enig inzicht te krijgen in de eigenzinnigheid van een kunstenaar. Maar de nonchalante gastvrijheid van een kerk is musea niet meer gegund. Er moet publiek komen en dat wil over het algemeen niet bezinnen, maar vooral wat beleven. Het idee dat het in een museum stil moet zijn, is dan ook achterhaald.

Bij de ingang van de tentoonstelling Zie je in de Gouden Eeuw vangt acteur Waldemar Torenstra je op. Levensgroot geprojecteerd op een scherm laat hij er geen twijfel over bestaan. „Dit is de 17de eeuw!”, roept hij, om daarna een aantal personages voor te stellen die de bezoeker door de tentoonstelling loodsen. Luid gebulder van kanonnen dat uit de speakers klinkt, moet het publiek in de stemming brengen. We zijn in het onlangs verbouwde Scheepvaartmuseum in Amsterdam.

Een streng kijkende Michiel de Ruyter, vastgelegd door schilder Karel Dujardin in 1669, hangt halverwege de zaal. Pal naast het befaamde portret stelt Waldemar met de zin „Haar man is ver weg op zee met zeerovers en piraten aan het vechten”, het personage Aeltje voor. Wie de tijd wil nemen het schilderij goed te bekijken, moet stil blijven staan, bewegingssensoren doen het filmpje starten. Een buiging naar het doek om het begeleidende tekstje te lezen en het verhaal van Aeltje begint opnieuw.

Linda Mol is hoofd presentaties van Het Scheepvaartmuseum en verantwoordelijk voor de tentoonstellingen. „Wij zijn een geschiedenismuseum en belichten het verleden aan de hand van verhalen. De collectie dient daarbij als bewijsmateriaal voor de bezoeker.” Dat deze verhalen worden verteld op een audiovisuele manier is volgens haar niet meer dan normaal. „Videoschermen en luidsprekers zijn overal om ons heen, waarom dan niet in een museum?”

Het maritieme museum mikt met de vernieuwde opzet nu ook op een ongebruikelijke doelgroep: gezinnen die normaal naar pretparken gaan. En die trek je met ‘experiences’, niet met een zaal vol schilderijen. Het is ook de reden dat veel wordt uitgelegd. Voor de doelgroep gezinnen en scholieren gaan ze eigenlijk uit van geen voorkennis. „We vertellen dus wat de Gouden Eeuw eigenlijk is. Sommigen kunnen dit als hinderlijk ervaren, maar we zien dat het echt nodig is. Pas kwam er een jongen naar me toe die vroeg waar het schilderij van Michael de Ruyter hing.”

Een deel van het museum is gereserveerd voor de ‘experiences’. Zo is er ‘De Zeereis’. Een ontzettend spannend, virtueel avontuur op zee, belooft de eigen website. Voor de allerkleinsten is er ‘Matje en Roosje en Circus Zee’, een sprookjesachtige onderwaterwereld. Verder is er bewust niet gekozen voor audiotours. „Die zijn niet sociaal”, legt Mol uit. „Een gezin waaiert toch uit als iedereen een koptelefoon op heeft.’’ Er is dan ook geen zaal waar het stil is. Overal klinkt geluid. Van voice-overs die achtergrondinformatie geven, tot sfeerverhogende klanken, zoals het kabbelen van de zee. Vaak in combinatie met elkaar.

De opzet lijkt te werken. Linda Mol ziet dat er een ander soort bezoeker langskomt dan vóór de verbouwing. Mensen die niet vaak naar musea gaan. Dat brengt zijn eigenaardigheden met zich mee. „Zo komen we nog wel eens gezinnen tegen die in de toonzaal waar de schilderijen van de maritieme meesters hangen, hun zakje brood aan het eten zijn. Dan leggen we vriendelijk uit dat dat niet hoort in een museum.”

Over het nieuwe Scheepvaartmuseum is lang nagedacht. Buitenlandse musea werden ter inspiratie bezocht. Vooral het Musée National d’Histoire Naturelle in Parijs is een voorbeeld geweest. „Natuurhistorische musea lopen sowieso voorop als het gaat om de vernieuwende manier van presenteren. Maar we zijn ook naar de Efteling en de Heineken Experience gegaan.’’

De oostvleugel van Het Scheepvaartmuseum heeft het meest museale karakter. De verschillende ruimtes zijn ingericht door de bekende ontwerpstudio Atelier Brückner uit Stuttgart. Ze zijn bekend van het BMW Museum in München. Ook richten zij stands in op beurzen. „Door de sfeer die wij in de ruimtes creëren met installaties, licht en geluid moet de bezoeker meegenomen worden op reis”, zegt Claudia Luxbacher van Atelier Brückner. Scenographic design noemt ze het werk van het bureau. „De collectie in combinatie met scenographic design creëert een nieuw kunstwerk, een Gesamtkunstwerk.”

De navigatie-instrumenten in Het Scheepvaartmuseum staan in een ruimte waar de muren en plafond vol zitten met kleine lichtjes. Het stelt een sterrenhemel voor. Strepen blauw licht op de grond schijnen op de glazen kasten waar de instrumenten in hangen. Leidt de aankleding niet af van waar het eigenlijk om gaat, de navigatie-instrumenten? Volgens Luxbacher is dat niet het geval. „Atelier Brückner legt door de presentatie de collectie juist bloot. We doen dit door ons te verdiepen in de materie. De aura van een voorwerp moet gevangen worden in de tentoonstellingsopzet.”

Thematische musea, zoals maritieme, natuurhistorische en stadsmusea, lenen zich door het verhalend element erg voor ‘experiences’. Vaak is het noodzaak: hun collecties zijn niet dragend genoeg om publiek te trekken en te verwonderen. Niet ieder museum heeft een Nachtwacht hangen.

Kunstmusea, zoals het Rijksmuseum, zijn over het algemeen traditioneler in hun presentatie. De focus ligt op de collectie, niet op enscenering. Dat wil niet zeggen dat er geen zintuiglijke ervaringen worden beleefd. In 1962 was er in het Stedelijk Museum Amsterdam onder de naam Dylaby al een interactieve tentoonstelling. De Franse beeldhouwster Niki de Saint Phalle presenteerde er een schiettent waar het publiek zelf een schilderij maakte door zakjes verf kapot te schieten.

Ook Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam richt zich niet alleen op het oog. „Hoewel we vanuit het visuele vertrekken, willen we geen enkel zintuig uitsluiten”, zegt Cathy Jacob, hoofd van de sector presentaties van het museum. „Er worden bij ons regelmatig kunstwerken getoond waarbij bijvoorbeeld de geur of het bijbehorende geluid van essentieel belang is.” Als voorbeeld geeft zij de ‘Pindakaasvloer’ van Wim T. Schippers. „De geur van pindakaas is van essentieel belang voor de ervaring van het werk, zonder die geur zou het werk niet zijn wat het is.”

Een ander voorbeeld is ‘Laat je haar neer’, een installatie waarmee videokunstenares Pipilotti Rist een selectie films toont. Om die te bekijken, moet je in een net omhoog klauteren, bovenin het trappenhuis. Behalve dat geluid en beeld vaak een rol speelt in het kunstwerk zelf, heeft het bij Boijmans ook zeker een ondersteunende rol met het idee de bezoeker te betrekken bij een werk. Cathy Jacob: „Ik denk dat ‘kunsttempels’ zeldzamer worden. Bij ons hoeft het ook niet zo nodig stil te zijn.” Gillende kinderen of mobiele bellers worden niet op prijs gesteld, maar introducerende films bij een tentoonstelling of mediatours zijn geen probleem. „Ook discussiëren over een kunstwerk kan gewoon in de zaal. Graag zelfs!”

Wie alleen vitrinekasten en schilderijen wil zien, kan eigenlijk alleen nog maar terecht in het museum van een museum, Teylers Museum in Haarlem. Het laat zien hoe musea tijdens de Verlichting eruit zagen. Een tijd zonder flatscreens en pindakaasvloeren. Al is de kans dat iemand naast je z’n smartphone tevoorschijn tovert om over een voorwerp meer info te googlen altijd aanwezig.