Dit is de man van meer lesuren en harder werken

Harm Beertema, Tweede Kamerlid van de PVV, wil het onderwijs redden, zegt hij. „Zelfs leraren kunnen niet meer rekenen en spellen. Het is te erg voor woorden.”

Harm Beertema baalt. Hij mag niet spreken op de grote lerarenmanifestatie, morgen in Utrecht. Terwijl hij nota bene mede de aanzet gaf tot de landelijke stakingsdag. Op aandringen van de PVV-onderwijswoordvoerder moeten leerlingen in het voortgezet onderwijs minimaal 1.040 uur per jaar les krijgen. En niet 1.000, zoals in het oorspronkelijke voorstel van minister Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) stond. Mede daardoor moeten leraren een week vakantie inleveren.

Wat had hij willen zeggen? Beertema leest vanaf een A4’tje hardop voor in zijn werkkamer in het Tweede Kamergebouw. „Teruggaan van 1.040 naar 1.000 uur ten tijde van een kenniscrisis is dom. Als zelfs de leraren die van de pabo komen niet meer kunnen rekenen en spellen, moet je niet minder les gaan geven. Juist meer. En dan zo tekeergaan. Veertig uur extra is twaalf minuten per dag, verspreid over het jaar. Het is een schande dat hiervoor naar het stakingswapen wordt gegrepen.”

Beertema vermoedt dat de leraren zich voor het karretje hebben laten spannen van de schoolbesturen. Die zijn niet van plan meer lesuren in te roosteren. De VO-raad, de vereniging van schoolbesturen in het voortgezet onderwijs, heeft zelfs gezegd dat eventuele bekeuringen uit een gezamenlijke boetepot zullen worden betaald.

„Er wordt een machtsstrijd uitgevochten”, zegt Beertema. „Wie heeft het voor het zeggen in het onderwijs: de politiek of de bestuurders? Het is toch ongelooflijk dat de VO-raad aangeeft een democratisch tot stand gekomen wet naast zich neer te leggen? Het lijken wel autonomen: jullie rechtsstaat is de onze niet. Ze zijn geen haar beter dan krakers.”

Beertema’s afkeer van de „onderwijselite” ontstond in de 34 jaar dat hij als leraar Nederlands actief was in het middelbaar beroepsonderwijs. Hij heeft goede herinneringen aan zijn tijd voor de klas, op „moeilijke scholen” in Rotterdam-Zuid. Zijn leerlingen noemt hij „mijn meiden” en „mijn jongens”. Onderwijzen vindt hij „een prachtig vak” waarin je jonge mensen „voor de rest van hun leven op pad helpt”. Maar de managers die boven hem stonden, liepen vooral in de weg met hun fusieplannen en onderwijsvernieuwingen.

Harm Beertema (1952) komt uit een onderwijzersfamilie. Zijn grootvader volgde de avondkweekschool in Groningen en trok ten tijde van de schoolstrijd naar Amsterdam om daar het christelijk onderwijs op te zetten. Drie van zijn zoons, onder wie Beertema’s vader, gingen ook het onderwijs in. Dat Harm en zijn zus voor de klas zouden gaan staan, sprak eigenlijk voor zich.

Beertema koos voor het beroepsonderwijs in Rotterdam. Daar stond hij middenin de maatschappij. Vanaf het eind van de jaren tachtig zag hij zijn school, de Streekschool Zuid, veranderen. Bestuurders kregen het voor het zeggen, witte leerlingen trokken weg. Daarvoor in de plaats kwamen Turken, Antillianen en Surinamers. Een mooie uitdaging, vond Beertema. „Ze hadden vaak een taalachterstand, dus daar viel voor een leraar Nederlands eer te behalen. Ik moest harder werken.”

Maar een ander gevolg van de verkleuring van de leerlingenpopulatie stond hem niet aan. „De islamitische hoofddoek was er niet toen ik begon. Ik schrok me rot toen die zijn intrede deed. Als ik nu terugga, dragen ze bijna allemaal een hoofddoek.”

Die hoofddoek staat voor een wereldbeeld dat haaks staat op alle verworvenheden van de westerse samenleving, vindt Beertema. „Ik heb dat destijds ter sprake gebracht bij het managementteam, maar ik werd weggehoond, alsof ik een geheime, racistische agenda had.”

Zijn islamitische collega’s gingen zich gaandeweg ook anders kleden. Beertema vertelt over een Marokkaanse lerares – „een heel leuke meid, geëmancipeerd en modern” – die trouwde met een man uit Marokko en daarna gesluierd naar school kwam. „Je verwacht het niet, en ineens staat ze daar met zo’n hoofddoek. In de lerarenkamer kwam ze steeds minder, ze werd een schim die je nog weleens op de gang zag. Ik verloor het contact gaandeweg. Doodzonde.”

Als Beertema dit onderwerp in de Kamer ter sprake brengt, stuit hij steevast op kritiek. Hij diende onlangs een motie in om hoofddoekjes bij onderwijzers te verbieden. Is dit nou de vrijheid waar de PVV voor staat, wilden andere Kamerleden weten. Hij volhardt echter. „Mijn grootste wens zou zijn als de sector zelf zou aangeven dat ze van de hoofddoek af wil, zoals dat in Antwerpen is gebeurd. Zo van: dat past zo slecht in ons opvoedingsideaal, dat moeten we niet willen.”

Andere moties van de PVV’er – over het verplicht vousvoyeren van leraren door leerlingen en het dagelijks hijsen van de Nederlandse vlag bij elke school – werden door zijn collega’s meesmuilend ontvangen. Het deert hem niet, zegt Beertema. „Ik dien zo’n motie niet in met het idee: goh, straks wappert die vlag op school. Nee, ik weet dondersgoed dat die niet wordt aangenomen, al zou ik dat wel graag willen. Maar met die vlagmotie, en hetzelfde geldt voor dat ‘u’ in plaats van ‘jij’ zeggen, wil ik duidelijk maken dat het onderwijs in Nederland toe is aan een cultuurverandering. Als leraar heb je niet alleen de taak je leerlingen met kennis te confronteren. Je moet ze ook introduceren in tradities, in centrale waarden van de westerse samenleving. Zo bouw je een beschaving.”

Wanneer hij deze dingen wil, staat Beertema alleen in het parlement. Dat is niet het geval als hij zijn ongenoegen uit over de „managerskliek” die hem het plezier in zijn werk als leraar heeft ontnomen. „Toen in de jaren tachtig besloten werd veel van de zeggenschap over het onderwijs af te staan aan de sector zelf, heeft niemand kunnen voorzien dat de bestuurders zo aan de haal zouden gaan met hun macht. Inmiddels zien we waartoe dat geleid heeft: grote, onpersoonlijke scholen, waar niet goed lesgegeven wordt.”

Zijn Streekschool onderging een aantal fusies. Beertema: „Dan kwam er zo’n communicatietype langs om te vertellen dat dit nu écht de gedroomde school was. Zo paste alles bij elkaar. En een jaar later was hij er weer, om precies hetzelfde te zeggen over de volgende fusie.”

In de jaren negentig kwamen daar de onderwijsvernieuwingen overheen. Het competentiegericht leren werd ingevoerd, tot woede van Beertema. „Ik werd gedegradeerd tot een soort surveillant in een computerlokaal waar zestig leerlingen zelf maar moesten uitzoeken hoe ze hun werk deden. Bij hoge uitzondering mochten ze een afspraak met me maken. Dan kon ik ze wat vertellen over het kofschip.”

Beertema besloot zich teweer te stellen tegen deze veranderingen. Hij ging opiniestukken schrijven in de krant en werd bestuurslid van Beter Onderwijs Nederland (BON), een belangenvereniging van ouders en docenten die zich zorgen maken over de staat van het onderwijs.

Dat werd hem door de directie van zijn school, het Albeda College, niet in dank afgenomen. „Ze wilden me een spreekverbod in de lerarenkamer opleggen. Toen ik vroeg om een lijstje met onderwerpen waarover ik niet mocht praten, hebben ze daar toch maar van afgezien.”

Hij begrijpt de leraren die het hebben over een ‘angstcultuur’ in het onderwijs. Ook hij heeft slapeloze nachten gehad. Wat nu als hij ontslagen zou worden? Maar: „De angstcultuur bestaat alleen als je die toelaat. Veel leraren doen dat. Het is een laffe beroepsgroep. Collega’s zeiden vaak dat ze het met me eens waren, maar als het erop aankwam, stond ik meestal alleen.”

Na een kort lidmaatschap van de LPF – Beertema belde ooit aan bij Pim Fortuyn om met hem over onderwijs te praten – belandde hij in 2010 in de Kamer voor de PVV. Hij noemt deze kabinetsperiode „cruciaal” voor het Nederlandse onderwijs. „We zijn nu de schade aan het repareren van de afgelopen jaren. Dat moet met wetten waarover je je schaamt dat ze überhaupt nodig zijn. Een ‘kennisbasis’ voor de pabo, omdat leraren zelf de meest elementaire vaardigheden missen! Het is te erg voor woorden.”

Dit kabinet gaat het onderwijs redden, denkt Beertema. „Het is nog niet te laat. Ik blijf altijd dat vooruitgangsgeloof houden. Dat is de leraar in me.”

Morgen zullen ruim 12.500 leraren uit het voortgezet onderwijs staken. Tientallen scholen gaan dicht. De leraren zijn boos omdat ze vakantiedagen moeten inleveren. Maar ook over andere veranderingen in het onderwijs. Ze zouden toch met rust worden gelaten?

Nou nou, erg hoor, hoor je veel ouders zeggen. Van zeven naar zes weken zomervakantie. De Nederlandse leraar heeft het maar zwaar. Met die schamele twee weken kerstvakantie en de weken voorjaarsvakantie, meivakantie en herfstvakantie die hij verder nog heeft, houdt hij per jaar nog maar 11 weken over.

De leraren in het voortgezet onderwijs lopen deze maand te hoop tegen een nieuwe wet van minister Marja van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA). Zij kort de zomervakantie met een week in en wil dat leraren die dagen gaan gebruiken voor zaken als rapportvergaderingen en bijscholing. De leraren zijn boos en staken, maar op veel sympathie van het publiek lijken ze niet te kunnen rekenen.

De Algemene Onderwijsbond (AOb), de grootste lerarenbond, heeft voor morgen een landelijke staking uitgeroepen. Veel scholen zullen dicht zijn. Eerder staakte Leraren in Actie al, de kleinste bond. De leiding van CNV Onderwijs wilde eerst niet meedoen met de acties van morgen, maar werd door haar leden teruggefloten. Ook de christelijke onderwijzers willen actievoeren.

Waarom kiezen de leraren ervoor te gaan staken nu hun vakantie in het geding is? Veel ouders, die het moeten doen met vijf vakantieweken per jaar en ook wel eens ’s avonds overwerken, begrijpen niet waarom dit conflict zo hoog oploopt.

Soms gaat een ruzie waarover zij gaat, maar soms gaat zij ook over meer. En dat is hier het geval. Zeker, de leraren zijn boos over de vakantie die hun wordt afgenomen. Maar er spelen ook andere zaken. Ze zijn het zat: alle oekazes vanuit Den Haag, de bemoeienissen van managers, de sluipende bezuinigingen, de onderwijsvernieuwingen. Ze voelen zich als professionals niet serieus genomen, al twintig jaar lang niet.

Eerst nog even over die vakanties. Werkt de Nederlandse leraar hard? Die vraag is deels te beantwoorden met behulp van het rapport Education at a Glance, van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De OESO publiceert iedere twee jaar dit onderzoek, waarin de onderwijspraktijk in een groot aantal landen wordt vergeleken. Het meest recente rapport gaat over 2009.

Wat blijkt? In dat jaar bedroeg in Nederland de netto onderwijstijd in het voortgezet onderwijs, dus de tijd die echt voor de klas werd doorgebracht, 750 uur per jaar. Het wettelijk vastgelde aantal werkuren stond voor een leraar op 1.659. Het gemiddelde voor alle OESO-landen was respectievelijk 678 en 1.661 uur. Kortom: de Nederlandse docent werkt niet meer dan zijn collega’s in andere landen, maar maakt bovengemiddeld veel uren voor de klas.

Voor die inspanning voelt hij zich niet altijd gewaardeerd. Het kabinet denkt daarvoor de oplossing te hebben gevonden: prestatiebeloning voor de beste leraren. Daarvoor is de komende jaren 250 miljoen euro beschikbaar. De eerste pilotprojecten zijn onlangs van start gegaan.

Veel leraren zitten op deze prestatiebeloning echter helemaal niet te wachten. Volgens voorzitter Walter Dresscher van de AOb werkt het „vriendjespolitiek in de hand” en zal het „desastreus zijn voor de sfeer in de personeelskamer”. Dresscher zegt dat er „karrevrachten” bewijs uit het buitenland is dat prestatiebeloning niet werkt. Dat is wellicht wat te stevig uitgedrukt, maar het staat in ieder geval niet vast dat prestatiebeloning wél leidt tot beter functionerende onderwijzers.

Toch zet het kabinet door. Eerst maar eens kijken hoe de experimenten uitpakken, lijkt staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, VVD) te denken. De leraren zuchten. Wanneer houdt de ongevraagde bemoeienis van ‘Den Haag’ nu eens op?

Scholen dachten dat ze in rustiger vaarwater zouden komen na de publicatie van het rapport van de commissie-Dijsselbloem in 2008. Deze parlementaire onderzoekscommissie over vernieuwingen in het voortgezet onderwijs, voorgezeten door PvdA-Kamerlid Jeroen Dijsselbloem, kwam tot de conclusie dat de overheid zich in de jaren negentig te veel bemoeid had met de didactiek en te weinig had gelet op de kwaliteit van het onderwijs. Sindsdien zeggen alle politici elkaar na: wij gaan alleen over het ‘wat’ in het onderwijs, niet over het ‘hoe’.

Dat betekent: de Tweede Kamer en het kabinet stellen vast wat een school moet bijbrengen aan haar leerlingen; hoe dat gebeurt, mag elke school zelf uitzoeken.

Nou ja, niet helemaal, blijkt nu. Want alle scholen hadden zich er al op ingesteld dat er vanaf het komend schooljaar jaarlijks 1.000 uur les gegeven zou gaan worden. Zo was het in samenspraak met het ministerie van Onderwijs immers vastgesteld. Op het laatste moment zag minister Van Bijsterveldt zich echter genoodzaakt het aantal lesuren voor leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs op te trekken naar 1.040, omdat de PVV dat wilde. Docenten en schoolbesturen wisten niet wat ze meemaakten. Drie jaar van overleg in één Kamerdebat overboord gezet.

Deze bruuskering, gecombineerd met het wegvallen van een week zomervakantie en het schrappen van compensatievakantiedagen voor feestdagen als Kerstmis die in de schoolvakanties vallen, leidt nu tot opstand. Leraren willen niet meer uren lesgeven en zeven tot tien vrije dagen per jaar inleveren.

En dan zijn er ook nog de bezuinigingen op het passend onderwijs. Minister Van Bijsterveldt wil 300 miljoen euro korten op het onderwijs aan leerlingen met leerproblemen. Veel kinderen die nu nog in het speciaal onderwijs zitten, komen straks terecht op een reguliere school. Dat zal een aanzienlijke verzwaring van het werk van de leraren hier betekenen. Ook zullen ongeveer 5.000 leraren hun baan kwijtraken, schat de AOb.

Later dit jaar zullen de docenten in het voortgezet onderwijs waarschijnlijk opnieuw gaan staken, om te protesteren tegen deze bezuinigingen op het passend onderwijs. Ze zullen dan op meer sympathie kunnen rekenen van het grote publiek. Dit is een ruzie die het particuliere belang van de leraar overstijgt.

Zullen alle stakingen leiden tot een koerswijziging van het kabinet? Waarschijnlijk niet. Van tegenstribbelende leraren trekt de politiek zich al jaren weinig aan. Daar zal op korte termijn geen verandering in komen.

6 weken zomervrij

11 weken vakantie

5 weken voor ouders

750 lesuren

1.659 werkuren

250 mln euro extra

1.000 uur in de klas

nee, 1.040 uur

300 mln bezuiniging