De twee wonderkinderen zijn even geen schaakvrienden

In het Tata Steeltoernooi leed favoriet Carlsen een zeldzame nederlaag tegen Karjakin. Medekoploper Aronian profiteerde optimaal.

Magnus Carlsen en Sergei Karjakin zijn beste maatjes. Maar in de negende ronde van het Tata Steeltoernooi even niet. De handdruk voor de partij is stevig, maar zakelijk. Carlsen, gekleed in een grijs tweedjasje volgestikt met sponsornamen, wringt een grijns op zijn gezicht. Karjakin, in een zwart corduroyjasje, kijkt onbewogen langs hem heen. Als er al een sponsor op zijn colbert zou staan, dan zou het de Russische schaakbond zijn die hem drie jaar geleden verleidde vanuit Oekraïne naar Moskou te verhuizen. In ruil voor zijn nieuwe nationaliteit kreeg hij een mooi appartement in de hoofdstad, een toelage en de steun van een team toptrainers. De komende jaren moet hij de spil van de Russische ploeg worden.

Carlsen en Karjakin zijn allebei uit 1990, een uitstekende schaaklichting, waartoe ook de Rus Nepomniachtchi, momenteel nummer 18 in de wereld, behoort. Dit soort topjaren zijn zeldzaam. Je had 1975 met Kramnik en Topalov, 1969 met Anand en Ivantsjoek, en natuurlijk 1951 met Karpov en Timman.

Carlsen wordt een wonderkind genoemd, wat hij zelf belachelijk vindt. Voor Karjakin ligt die kwalificatie nog meer voor de hand. Hij was 12 jaar en zeven maanden toen hij de jongste grootmeester ooit werd. Zijn rivaal deed daar zo’n tien maanden langer over. Daarna was de Noor niet meer te houden en twee jaar geleden werd hij de jongste nummer één van de wereld ooit. Karjakin wist pas tot de top-10 door te dringen na zijn verhuizing naar Rusland.

Hun verstandhouding is uitstekend. Vorige zomer wonnen ze in Roemenië een toernooi en vierden dat door breed lachend, met de armen om elkaars schouders, op de foto te gaan. In november, na afloop van het Tal Memorial in Moskou, liet Karjakin hem het uitgaansleven zien en leerde hij hem hoe je een rondje moet bestellen in het Russisch.

Voor hun ontmoeting van gisteren was Carlsen favoriet. Hij had wit en leek beter in vorm. Terwijl hij soeverein en stabiel spelend naar de koppositie klom, stuiterde Karjakin alle kanten op. Net zo gemakkelijk als hij drie partijen won, verloor hij er ook vier, ongekend voor een topspeler.

In een rustige stelling koos Carlsen ineens voor een agressief plan waarvan hij de gevolgen volledig verkeerd had ingeschat. De enige die aanvalskansen kreeg was zwart en binnen 20 zetten stond wit zo goed als verloren. Hardnekkig verdedigend wist hij de strijd nog tot de 60ste zet te rekken zonder dat er ooit twijfel ontstond over de uitslag. Tijdens de korte nazit op het podium probeerde Carlsen zich een goed verliezer te tonen door wat grapjes te maken. Daarna was wel duidelijk hoe hij zich werkelijk voelde. Zonder wie dan ook aan te kijken baande hij zich een weg door de verslaggevers die buiten de speelzaal wachtten en verdween hij naar zijn hotel.

Hoewel hij zijn partij won en riant aan de leiding kwam, wilde ook Levon Aronian graag snel weg. Alsof niet tegenstander Fabiano Caruana, maar hijzelf een vrij kansloze nederlaag had geleden, liep hij over van zelfverwijt. Hij was slordig omgegaan met de stelling die hij, precies zoals hij gehoopt had, op het bord had gekregen, had onnodige risico’s genomen en mocht blij zijn dat Caruana zijn onbezonnenheid niet afstrafte. De Armeniër leek vooral zichzelf, met nog vier ronden te gaan, te willen behoeden voor euforie.

Voor de Nederlanders was het een magere middag. Anish Giri werd weggeschoven door Vasili Ivantsjoek. Loek van Wely maakte ook zijn negende partij remise en bleef zesde. Niet slecht als je op papier de zwakste deelnemer bent, maar veel kijkplezier leverden zijn zetten tegen Boris Gelfand niet op. Van Wely: „Toen ik na de opening de andere partijen bekeek, begreep ik dat ik, zelfs als ik zou winnen, de publieksprijs wel kon vergeten.’