Wat als Mubarak nog president zou zijn?

Gaat het echt zo veel slechter met Egypte sinds de opstand, zoals vaak te horen valt? Nee. Petra Stienen ziet ook lichtpuntjes in het Egypte van na de opstand en de verkiezingen.

Het is uitzonderlijk koud, deze winter in Egypte. Het lijkt haast of de weergoden de cynici en doemdenkers gelijk willen geven – het wordt nooit wat met die Arabische revoluties en die Arabische Lente is echt wel voorbij. Een jaar na het begin van de Egyptische opstand, op 25 januari 2011, beweren steeds meer mensen binnen en buiten Egypte dat het land er veel slechter aan toe is dan onder Mubarak, alsof ze terugverlangen naar een periode waarin de dictator in elk geval stabiliteit en rust creëerde.

Deze visie heeft geen oog voor het kaartenhuis dat Egypte na dertig jaar dictatuur van Mubarak was geworden. De economische groei van zo’n 7 à 8 procent kwam vooral terecht in de zakken van vele corrupte zakenmensen en politici rondom Mubarak en zijn zonen Gamal en Alaa. Meer dan 40 procent van de bevolking leefde van minder dan 2 dollar per dag en merkte niets van deze groei. In november 2010 kon Mubarak alleen maar de meerderheid in het parlement krijgen door grootscheepse fraude bij de parlementsverkiezingen. Volgens een rapport van het Egyptisch Centrum voor Vrouwenrechten uit 2008 zei zo’n 83 procent van de Egyptische vrouwen en 98 procent van de buitenlandse vrouwen op straat seksueel te zijn geïntimideerd of lastiggevallen.

Spanningen tussen islamitische en koptische Egyptenaren waren altijd aanwezig, vaak aangewakkerd door discriminatie in de wet en opjuttende staatsmedia. De noodwet werd elke keer vernieuwd, vanwege de spanningen in de regio en de strijd tegen het terrorisme. Het bleef een vehikel om alle tegenspraak de kop in te drukken, met veel geweld en alle vormen van marteling, vooral op politiekantoren, de burelen van de staatsveiligheidsdiensten en in gevangenissen. Tienduizenden aanhangers van de Moslimbroeders en extremistische islamitische groeperingen als Al-Gama’a al-Islamiya verdwenen in de kerkers van het Mubarakregime.

Het Westen keek meestal de andere kant uit. Vooral na 9/11 kwam het goed uit dat Mubarak steun gaf aan de strijd tegen islamitisch terrorisme. Alleen als er liberale mensenrechtenactivisten, vrouwen of kopten in het nauw kwamen, wilde er nog wel eens protest komen uit Europa of Washington. Dit was een selectieve vorm van verontwaardiging, die afdeed aan de geloofwaardigheid van universeel mensenrechtenbeleid, ook van landen als Nederland.

Vandaar de enorme euforie in Egypte en de rest van de wereld toen de Egyptenaren geheel op eigen kracht in staat waren binnen achttien dagen de dictator naar huis te sturen. De prijs was hoog. Meer dan achthonderd mensen kwamen om. Ook later in het jaar lieten demonstranten het leven in de voortdurende vrijheidsstrijd.

Aan de Egyptische revolutie was niets romantisch, integendeel. Mubarak was vertrokken, maar had zijn ‘handboek voor de Arabische dictator’ overgedragen aan zijn voormalige minister Tantawi (Defensie), nu voorzitter van de Militaire Raad. Martelingen van gevangenen, demonstraties neerslaan, militaire rechtbanken inzetten tegen burgers – het leek inderdaad, zoals Paul Aarts van de Universiteit van Amsterdam het noemt, op „Mubarakisme zonder Mubarak”. De staatsmedia zwepen nog steeds sektarisch geweld op en voeden wijdverspreide samenzweringstheorieën over Amerikaans-zionistische complotten, door liberale progressieve revolutionairen „westerse agenten” te noemen. De economie is ingestort. Dit vergroot de onrust onder de bevolking. Die voelt zich toch al onveilig in deze chaotische overgangsperiode.

Toch stonden Egyptenaren in lange rijen voor de stembureaus bij de parlementsverkiezingen. Voor het eerst in de geschiedenis zou hun stem betekenis hebben en de idealen van de revolutie – „brood, vrijheid en sociale rechtvaardigheid” – dichterbij kunnen brengen. Het eerste parlement na de revolutie is geïnstalleerd op 23 januari. De beelden, met veel mannen met baarden en slechts een paar vrouwen, zullen slecht vallen bij waarnemers in het Westen die bang zijn voor een islamitische republiek. Toch geniet het parlement brede steun onder de bevolking.

Toen ik eerder deze maand in Kairo was, bleek dat ook veel liberale progressieven hadden gestemd op de Vrijheid en Rechtvaardigheidspartij van de goed georganiseerde Moslimbroederschap. „We willen een regering die verantwoording aflegt aan het volk, en dat ze God vrezen, helpt daarbij vast.” Daarom won deze partij meer dan 40 procent van de zetels.

Omdat dezelfde partij door vele diepreligieuze Egyptische moslims als ‘te opportunistisch en niet zuiver in de leer’ werd gezien, haalde de salafistische Nourpartij verrassend meer dan 20 procent. Het liberale blok werd door vele Egyptenaren gezien als een te oud regime. Het hielp niet dat leider Naguib Suweiris een tweet rondstuurde van Mickey en Minnie Mouse met baard en boerka, uit vrees voor een streng islamitisch Egypte. Zijn verontschuldigingen deed hij teniet door op camera te verklaren dat hij echt niet zonder zijn whisky kan.

De grootste teleurstelling was voor jonge revolutionairen en de vrouwen. Zij waren onderling verdeeld, hadden gebrek aan politieke ervaring en nauwelijks tijd om campagne te voeren. In een ultiem conservatieve samenleving bleek het enorm lastig voor vrouwen om door te dringen in de politiek.

Lichtpuntjes zijn er ook. Zo had ik een gesprek met voormannen van Wadifoods. Dit is een groot bedrijf buiten Kairo. Het richt zich op de biologische voedselmarkt. Meer dan 3.500 mensen werken hier. Zij vertegenwoordigden het hele politieke spectrum, van streng islamitisch tot liberaal. Allen waren blij dat Mubarak en zijn zoons terechtstaan. Niemand wilde terug naar die tijd. Wel gaven ze toe dat er nog vele fases in de Egyptische revolutie te gaan zijn, vooral ook in de mentaliteit van de Egyptenaren. „Corruptie was niet alleen iets van de regering, maar ook van de mensen, overal, in de gezondheidzorg, in het onderwijs, en in het zakendoen”, zei een van hen.

Het is juist dit politieke bewustzijn en deze betrokkenheid bij het nieuwe Egypte waaruit ik hoop put. De militairen zijn niet meer onaanraakbaar. De Egyptische straat heeft nog steeds macht. Jonge revolutionairen maken hiervan gebruik, vaak met gevaar voor eigen leven. Egyptenaren laten zich niet langer behandelen als ‘onderdaan’ of ‘slaaf’.

Neem de jonge vrouw Samira Ibrahim. Zij won onlangs een rechtzaak tegen de Militaire Raad, naar aanleiding van de zogenoemde maagdelijkheidtests die zij had moeten ondergaan. Samen met haar vader, een moslimbroeder die tijdens het Mubarakregime was gemarteld in de gevangenis, liet ze haar stem horen, zonder enige schaamte, als een trotse burger van het nieuwe Egypte.

Natuurlijk is er nog een lange lange weg te gaan. Zoals een bevriende mensenrechtenactivist me vertelde: „Onder Mubarak kon het alleen maar slechter gaan met Egypte, dat kan nog steeds, alleen is er na de revolutie van 25 januari 2011 ook hoop dat we samen aan een betere toekomst voor dit land kunnen bouwen. In elk seizoen van het jaar.”

Petra Stienen is publiciste, Arabiste en voormalig mensenrechtendiplomate, in Egypte en Syrië. Ze werkt aan het essay Het Andere Arabische Geluid. Naar een nieuwe toekomst van het Midden-Oosten? Dit essay zal in het voorjaar verschijnen, bij Nieuw Amsterdam.