Vroomheid in een open samenleving

Na de bisschop en de imam was het wachten op de rabbijn die verklaarde dat homoseksualiteit een ernstige ziekte is. Gelijke monniken, gelijke kappen. Een ongelukkige beeldspraak, maar in alle wereldgodsdiensten wemelt het van de gelovigen die vasthouden aan een letterlijke uitleg van de heilige boeken. En in die boeken wordt niet op een toeschietelijke manier gesproken over de mannenliefde.

Eerst verklaarde bisschop Wim Eijk dat homoseksualiteit een „neurotische ontwikkelingsstoornis” is. Toen kwam imam Khalil El Moumni met de sluitende redenering dat de mensheid zou uitsterven als iedereen homo werd. Hij wist het zeker: zulke mensen zijn lager dan varkens en honden. En nu dan opperrabbijn Aryeh Ralbag, die van mening is dat de homoseksuele medemens, godzijdank, kan worden genezen. Wie zijn mooie, oudtestamentische kop zag, kon niet verbaasd zijn.

De strenge vroomheid blijft dus voor onrust zorgen in samenlevingen die zichzelf als seculier zien. Dat de Noordwest-Europese landen op wereldschaal het verst van God zijn afgedreven, is wel zeker. Nergens speelt godsdienst zo’n betrekkelijke rol als uitgerekend in onze contreien. En het is zonneklaar dat die secularisering vooral wordt uitgedaagd door een leerstellige omgang met seksualiteit.

Hier botsen twee ideeën over gelijkwaardigheid. De ene benadering stelt neutraliteit voorop. Vrijheid van meningsuiting geeft ook ruimte aan degenen die laatdunkende opvattingen hebben over bijvoorbeeld homoseksualiteit. En inderdaad, waarom zou iemand in een open samenleving niet van mening mogen zijn dat de liefde voor het gelijke geslacht door en door slecht is?

De andere benadering is normatief van aard. Zeker, mensen mogen er discriminatoire opvattingen op nahouden, maar een verdraagzame houding kan niet van één kant komen. Zo brengt het recht op godsdienstvrijheid de verantwoordelijkheid met zich mee om diezelfde vrijheid toe te staan voor andere geloven en ongeloven.

Deze wederkerigheid kan nooit worden afgedwongen, maar wel aan mensen worden voorgehouden. Volgens de rechtsfilosofe Dorien Pessers gaat het over situaties waarin „meer wordt gedaan dan waartoe men juridisch verplicht is en er meer wordt verwacht dan waartoe men juridisch gerechtigd is”. Een open samenleving vraagt echt om meer dan leven naar de wet alleen.

Anders dan de bescherming van meningsvrijheid biedt zo’n pleidooi voor wederkerigheid natuurlijk geen genoegdoening aan strenge gelovigen die nu juist de levensstijl van anderen tot de poorten van de hel vervolgen. Zulke stromingen willen helemaal niet midden in een moderne samenleving staan.

Hier stuiten we op de liberale paradox: de open samenleving is er ook voor degenen die een gesloten wereldbeeld aanhangen. Dat is alleen vol te houden als het gaat om een kleine minderheid van zwarte kousen. Een open samenleving leeft namelijk van een ruime meerderheid die weet dat de rechten die men voor zichzelf opeist, ook aan anderen moeten worden gegund.

Deze wederkerigheid geldt ook voor ongelovigen die vaak de neiging hebben om het geloof te verbannen tot achter de voordeur. Godsdienst is meer dan een privékwestie en hoort thuis in het publieke domein. Te veel mensen verwarren de scheiding van staat en kerk met een scheiding van geloof en samenleving. Maar er is geen enkele reden waarom mensen zich in hun publieke handelen wel zouden mogen laten inspireren door seculiere en niet door religieuze opvattingen.

Meerderheden die openstaan voor geloof en ongeloof, komen niet vanzelf tot stand. Godsdienstkritiek en godsdienstvrijheid horen bij elkaar. En juist in het onderhoud van die openheid schieten de meeste politieke bewegingen hopeloos tekort. Kijk naar de christen-democraten: het hele vraagstuk van de orthodoxie komt in hun recente pleidooi voor het ‘radicale midden’ niet voor.

Die vermijding laat zich gemakkelijk verklaren. Wanneer religie louter wordt gezien als een ‘bindmiddel’, zoals in de nieuwe christen-democratische visie, ontbreken de woorden wanneer godsdienst werkt als een splijtzwam. En vroeg of laat is strenge vroomheid altijd vragen om ruzie.

Niet lang geleden kon ik met eigen ogen zien hoezeer een open samenleving ontwricht kan raken wanneer orthodoxie van een kleine tot een grote minderheid wordt. Ik gaf een tijdje les aan de Hebrew University in Jeruzalem. Wat ooit een marginale groep was – de ultraorthodoxe gemeenschap in die stad – is uitgegroeid tot een kwart van de joodse bevolking. En daarmee strekt hun dwingelandij zich uit buiten de eigen kring; sommige wijken worden gedomineerd door zwarte jassen achter kinderwagens.

Tot wederkerigheid kan niemand worden verplicht. Mensen mogen anderen als immoreel brandmerken. Daaraan herkennen we de meeste orthodoxie: altijd respect eisen, en het nooit geven. Maar zulke vroomheid vraagt wel om tegenspraak, allereerst van vrijzinnigen in kerk, synagoge of moskee. Leven en laten leven vereist een inspanning, ook van overheden. Daaraan schort het momenteel zeer en daarom is er zo veel onzekerheid over religie in een open samenleving. Het ‘radicale midden’ ontkomt niet aan een antwoord op het radicale bidden.