Verhagen was er klaar voor, de markt niet

Minister van Economische Zaken Maxime Verhagen wilde per se een tweede kerncentrale. Maar hij had er geen geld voor over. Nu vindt de markt de bouw te duur

Zit er eindelijk een kabinet dat dol is op kernenergie, wil de markt niet.

Gisteren besloot het Zeeuwse energiebedrijf Delta de plannen voor de bouw van een nieuwe kerncentrale bij Borssele op de lange baan te schuiven. Andere gegadigden voor het bouwen van een kerncentrale haakten al eerder af.

En dat terwijl Maxime Verhagen, (Economische Zaken, CDA) er helemaal klaar voor zat. Hij wilde tijdens deze kabinetsperiode een vergunning verlenen voor een nieuwe kerncentrale. Kernenergie is schoon, want centrales stoten weinig CO2 uit, schreef Verhagen vorige zomer nog aan de Tweede Kamer. „Het recente besluit van Duitsland om in 2022 af te stappen van kernenergie laat deze argumenten onverlet.”

De voorliefde voor kernenergie van Verhagen was een duidelijke breuk met het beleid van het kabinet Balkenende-IV (CDA, PvdA, ChristenUnie). Vooral de PvdA hield toen de bouw van een nieuwe kerncentrale tegen.

Het besluit van Delta is geen verrassing. Al langer was duidelijk dat de beoogde buitenlandse partner, het Franse energiebedrijf EDF, twijfelde over de investering. Een kerncentrale bouwen is duur – zo’n 5 miljard euro – en de economische omstandigheden maken het terugverdienen van die enorme investering zeer onzeker. Door de economische neergang daalt de vraag naar elektriciteit, en dalen dus ook de energieprijzen. Er is overcapaciteit onder energiebedrijven. In zo’n markt een kerncentrale bouwen, die zorgt voor nóg meer capaciteit, is onverstandig.

Bovendien is er politieke onzekerheid. Met elk nieuw kabinet verandert het energiebeleid drastisch. Wat als het huidige kabinet snel valt en er ergens de komende jaren een kernenergie-onvriendelijk kabinet aantreedt? Verschillende onderzoeksinstituten (het Rathenau Instituut, de Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronderzoek) bekritiseerden de afgelopen maanden het weinig consistente beleid van de afgelopen vijftien jaar.

De schuwheid van de markt zet een streep door de ambities van Verhagen. Hij rekende op een nieuwe kerncentrale om de CO2-uitstoot te verminderen, zoals de Europese Unie heeft afgesproken. De centrale moest Nederland minder afhankelijk maken van fossiele brandstoffen én van buitenlandse energie, vooral van die uit Rusland.

Bovendien zou meer kernenergie het (energie-intensieve) bedrijfsleven van goedkopere energie kunnen voorzien. Dat past bij de industriepolitiek, die Verhagen uit de mottenballen heeft gehaald. Gericht probeert Verhagen het bedrijfsleven te simuleren via negen, door hem aangewezen topsectoren. Energie is een van die sectoren.

Die industriepolitiek mag niet al teveel geld kosten. Voor de bouw van de kerncentrale had Verhagen geen geld of subsidie over. De markt moet zichzelf maar redden, of het nou om kolencentrales, kerncentrales of duurzame energie gaat. Voor duurzame energie is er nog wel een subsidiepot. Die is echter kleiner dan onder het vorige kabinet.

Maar geopolitiek (minder afhankelijkheid van Rusland) en industriepolitiek bedrijven is lastig als je als minister je portemonnee in de achterzak houdt. Dat is vast begrijpelijk, want de ervaringen met de industriepolitiek uit de jaren tachtig zijn niet positief.

Zeker is dat landen als Duitsland en Frankrijk het anders aanpakken. Zij bevoordelen hun energie-intensieve bedrijfsleven opzichtig, bijvoorbeeld door ze te vrijwaren van de distributiekosten van elektriciteit.