Terechte schorsing van opperrabbijn Ralbag

Veertig jaar geleden verdween homoseksualiteit in Nederland uit het strafrecht. In 1971 werd artikel 248-bis, dat „ontucht met mensen van hetzelfde geslacht onder de 21 jaar” verbood, geschrapt. Twee jaar daarna werd de belangenvereniging COC erkend als rechtspersoon.

Nederland werd zo in de jaren zeventig een liberale natie. In de ingrijpende Grondwetswijziging van 1983 werd dat ook constitutioneel verankerd. Drie tot vier decennia later lijkt dit liberale mensbeeld, dat onder meer geen onderscheid naar seksuele keuze of geaardheid maakt, in de maatschappij volstrekt gemeengoed. Maar dat is helaas een illusie.

Binnen de Joodse Gemeente Amsterdam dreigt een breuk over de vraag of een orthodoxe jood homoseksueel kan zijn. Het bestuur van de Nederlands-Israëlische Hoofdsynagoge (NIHS) schorste opperrabbijn Ralbag wegens zijn exegese van de Thora dat een „homoseksuele levensstijl niet aanvaardbaar” is en onderworpen moet worden aan therapie.

Volgens de NIHS heeft Ralbag, die in New York woont, zich hiermee buiten de Nederlandse maatschappelijke orde geplaatst. Dat is inderdaad evident. Maar niet voor vijftig gelovigen die zich wel achter Ralbag scharen en ook niet voor de Europese rabbijnen die juist overwegen om de NIHS met een royement te straffen.

Deze religieuze genezingsdrang beperkt zich niet tot het orthodoxe jodendom. Alle grote godsdiensten hebben er last van. De ChristenUnie, tussen 2007 en 2010 regeringspartij, is tegen het homohuwelijk omdat de verbintenis „een goddelijke instelling vanaf de schepping” is. De geestverwante hulpverleningsinstelling Tot Heil des Volks, die wordt geleid door de ex-partijdirecteur van de ChristenUnie, biedt een therapie aan die notabene wordt vergoed uit het basispakket.

Binnen de islam is homoseksualiteit in bredere kring taboe en wordt die soms niet eens omfloerst veroordeeld. Denk aan de Rotterdamse imam Khalil El Moumni, die homoseksualiteit tien jaar geleden een „besmettelijke ziekte” noemde. Of het boek van stichting El Tawheed, waarin werd geopperd om homo’s van een hoog gebouw te gooien.

Dit soort oprispingen leiden vaak tot een terecht beroep op de Grondwet. Op grond van dezelfde wet zijn dit soort ideeën over homoseksualiteit, al dan niet verpakt in zalvende therapeutische taal, niet a priori verboden. Dat wordt uiteraard anders als ze een strafrechtelijke lading krijgen.

Maar ook binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting moet homofobie door liberalere geesten wel worden bestreden. Precies zoals het bestuur van de NIHS nu probeert te doen.