Scherpzinnige vicepresident

Hoewel ogenschijnlijk een somberman is Herman Tjeenk Willink, die morgen afscheid neemt als vicepresident van de Raad van State, op de eerste plaats een vriendelijk en scherpzinnig analyticus. In zijn jaarverslagen oefende hij harde kritiek uit zonder zelf controversieel te worden. Hij was het staatsrechtelijk geweten van het Binnenhof en de warme pleitbezorger van het burgerschap.

In de vijftien jaar dat hij vicepresident was, streed hij tegen „onnodige” privatiseringen van overheidssectoren, tegen de „bedrijfsmatige logica” die het openbaar bestuur overwoekerde, tegen het „incidentalisme” in de politiek, tegen de macht van beeldvorming en tegen het stelselmatig negeren van Europa als medewetgever. Steeds benadrukte hij de waarde van de instituties in het staatsbestel en de scheiding der machten. Het burgerschap zag hij als een verantwoordelijk publiek ambt. En de burger juist niet als de verwende klant voor wiens verlangens de overheid steeds klaar moet staan. Verstandige taal, die niet snel veroudert.

Als informateur stond hij in 1994 aan de basis van het eerste paarse kabinet van PvdA, VVD en D66. Dat kabinet benoemde Tjeenk Willink in 1997 vrij geruisloos. De Raad van State, klassiek bolwerk dicht bij en loyaal aan de Kroon, kreeg zo zijn eerste sociaal-democratische vicepresident. Traditioneel waren vicepresidenten van adel, liberaal of christelijk.

Ook Tjeenk Willink verdedigde steeds het erfelijk koningschap als bijdrage „aan de levende democratie”. Dat was consequent: al in 1992 noemde hij, als voorzitter van de Eerste Kamer, de koningin als functioneel voorbeeld omdat „ook zij” tot taak had de cohesie te bewaren.

Zijn jaarverslagen gebruikte hij als podium om kritiek uit te oefenen. Dat deed hij eerder op eigen titel dan namens de Raad van State als geheel. De Nijmeegse hoogleraar staatsrecht Tijn Kortmann wees er terecht op dat de Raad van State als adviseur heel wat minder kritisch was dan de vicepresident jaarlijks anderen in het staatsbestel aanbeval.

Toch kon ook Tjeenk Willink niet voorkomen dat met het verdwijnende dualisme de invloed van ‘zijn’ wetgevingsadviezen op de macht afnam. Het kabinet neemt er hooguit pro forma nog kennis van. Als hoogste bestuursrechter moest de Raad onder Tjeenk Willink reorganiseren nadat de combinatie advies en rechtspraak door het Europese mensenrechtenhof was afgekeurd. Twijfel over de onafhankelijkheid van de bestuursrechter is er niet door weggenomen. De Raad, hoofdzakelijk gewend aan gezag en fluwelen kritiek, reageert daarop steeds geprikkeld. Herman Tjeenk Willink neemt afscheid van een instituut dat zelf onder druk staat.