Oerlimburger morste okerdruppels

In zandlagen afkomstig uit de Maastrichtse Belvédère-groeve zijn rode okerplekjes ontdekt. Misschien knoeiden Neanderthalers de kleurstof op de grond.

Neanderthalers gebruikten al 250.000 jaar geleden, veel eerder dan gedacht, rode oker. Dat meldt een groep onderzoekers onder leiding van Wil Roebroeks, hoogleraar prehistorie van de Universiteit Leiden, deze week in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.

Bijna dertig jaar geleden heeft Roebroeks in de Belvédère-groeve bij Maastricht een aantal Neanderthaler kampementen opgegraven van 250.000 jaar oud. Naast duizenden stenen werktuigen en botfragmenten van zoogdieren vond hij toen ook een paar minuscule concentraties rood materiaal in het fijne sediment. „Die sedimenten hebben we opgegraven en bewaard. Met moderne methoden zoals elektronmicroscopie en röntgenspectroscopie hebben we ze opnieuw onderzocht. Het onderzoek bevestigde en verfijnde de eerste analyses van toen: het rode materiaal is hematiet, een grondstof voor rode oker.”

Hij sluit vrijwel zeker uit dat het om ijzeroxide gaat dat ooit door een rivier is aangevoerd en afgezet. „We hebben indertijd een oppervlakte van meer dan 1200 vierkante meter heel secuur en voorzichtig – het was mijn eerste grote opgraving en ik was ‘bang’ sporen te missen – opgegraven. Op maar twee plekken hebben we de rode sporen, in totaal achttien vlekjes van een paar millimeter, gevonden. Het fijne rode materiaal was als een dun laagje tussen en rond de zand- en siltkorrels van het sediment afgezet. Onze interpretatie is dat Neanderthalers druppels vloeistof van rode oker hebben gemorst.” Die hypothese heeft de onderzoeksgroep getest door onder meer een vloeistof met rode oker op een bewaard stuk sediment uit de groeve te druppelen. Het leverde soortgelijke sporen op.

Waarschijnlijk haalden de Neanderthalers van de Belvédère-groeve hun hematiet, die ze mogelijk met een platte zandsteen tot poeder fijn wreven, uit de Ardennen of de ijzerrijke Eifel. Eerdere archeologische vondsten van meer dan 160.000 jaar oud wijzen namelijk op contacten tussen de Eifel en het gebied rond Maastricht en Aken. „Uit andere vindplaatsen weten we ook dat de Neanderthalers een actieradius van ongeveer honderd kilometer hadden,” zegt Roebroeks.

De laatste jaren hebben sommige archeologen snel de neiging om de aanwezigheid van rode oker bij paleolithische vindplaatsen te zien als een aanwijzing voor abstract denken of symbolisch gedrag, zoals het maken van schilderingen. Roebroeks’ groep doet bewust geen uitspraak over mogelijk symbolisch gedrag van de Neanderthalers in de Belvedèregroeve. „De archeologische vindplaats geeft daarvoor gewoon geen bewijs.” Hij wijst er verder op dat rode oker ook voor gewone alledaagse dingen gebruikt kan zijn. „Kijk maar naar moderne jagerverzamelaars. Die gebruiken rode okers onder meer om huiden te prepareren, als ingrediënt van een soort lijm en zelfs ook als medicijn.”

Het oudste onomstreden symbolische gebruik van rode oker dateert van 40.000 jaar geleden: een met rode oker bestrooid skelet van een man dat in 1974 bij het Australische Lake Mungo is gevonden.

Tot nu waren in het Zuid-Franse Pech de l’Azé de oudste zekere bewijzen van het gebruik van rode oker en ijzeroxides door Neanderthalers gevonden. Roebroeks: „Ze zijn 60.000 jaar oud. Er waren wel claims voor ouder gebruik, maar die waren niet betrouwbaar.” Roebroeks stelt dat door zijn vondst het okergebruik van de Neanderthalers nu in ieder geval even oud is als dat van de voorlopers van de moderne mens in Afrika. „Ook als het niet om symbolisch gebruik gaat, geeft dat extra reliëf aan het gedrag van de vroege Neanderthalers.”

Roebroeks beseft dat de bevindingen van hem en zijn groep een voorlopig en beperkt inzicht bieden in het vroegste gebruik van oker door Neanderthalers, zeker vergeleken met de recente vondst van een 100.000 jaar oude rode okerwerkplaats van moderne mensen in Blombos Cave in Zuid-Afrika. „Wij hadden het geluk dat de rode concentraten duidelijk afstaken tegen de lichtgekleurde sedimenten van de Belvédèregroeve.” Hij verwacht dat door het artikel op oude en nieuwe Neanderthaler vindplaatsen gerichter naar resten van rode oker gezocht zal worden. „En dan zullen er mogelijk ook meer sporen van okergebruik gevonden worden.”