Looneis: meer respect graag om huppelend naar je te gaan werk

Vroeger gingen stakingen over geld. Nu eisen werknemers respect en lopen ze te hoop tegen dolgedraaide efficiency

Verslaggever

Rotterdam. „Ik ben aan het werk”, mopperde een van de ‘hoge heren’ toen schoonmaakster Marjan Kouwenberg een doekje over zijn bureau wilde halen. „Tot negen uur. Kun je niet daarna komen?”

Kouwenberg (57) liet zich niet kisten. „Ik ben ook aan het werk”, zei ze. „Tot acht uur.” Intussen heeft ze zich aangesloten bij de landelijke staking van schoonmakers, die al drie weken duurt. De eis: meer salaris, maar vooral ook meer ‘respect’.

Samen met honderden in gele hesjes gestoken collega’s staat Kouwenberg voor het pand van haar werkgever, een energieconcern in Den Bosch. FNV Bondgenoten heeft daar zojuist ‘Het Gouden Remspoor’ achtergelaten, de prijs voor slechtste werkgever van Nederland. Vanmiddag houden de schoonmakers een ‘mars van respect’, de vierde al, ditmaal in Utrecht.

Respect. De term prijkt niet alleen op de spandoeken van schoonmakers, ook onder agenten, leraren, buschauffeurs en verplegers klinkt de roep om waardering steeds luider. Ze vragen om ‘maatschappelijke erkenning’ en ‘eerherstel’ van hun ‘ambacht’. Plots is ‘beroepseer’ en niet de cao het nieuwe mantra van de vakbonden.

Klinkt oubollig? Dat dachten Thijs Jansen en Gabriel van den Brink ook toen ze in 2005 Beroepszeer uitbrachten, een boek over de miskenning van werknemers. Het werd een succes en leidde tot de oprichting van de stichting Beroepseer. „Blijkbaar is er onder Nederlanders al heel lang een sluimerende behoefte aan een andere manier van werken”, zegt Jansen, onderzoeker aan de Universiteit van Tilburg.

Volgens hem werken mensen niet meer voor de poen. Het gaat ze niet langer om een procentje méér op de loonstrook of een extra vakantiedag. Werknemers willen in de eerste plaats zingeving, laten zien dat ze ergens goed in zijn, iets betekenen voor de maatschappij. „Ze willen weer een vak beoefenen.”

Dat zie je terug in de cijfers. Dertig jaar geleden vond 40 procent van de Nederlanders zaken als zelfontplooiing, plezier en zingeving belangrijk in het werk. In 2008 was dat 70 procent, aldus de European Values Study. En ook het aantal zzp’ers groeit hard. „Een deel van hen zijn mensen die de zekerheden van een vaste baan opgeven om hun ambities na te jagen.”

Waar komt deze nieuwe werklust vandaan? Deels ligt de verklaring in de gestegen welvaart en het opleidingsniveau, zegt cultuursocioloog Gabriël van den Brink. „Onze hersenen hebben steeds meer geleerd. Die willen wat.” Intrinsieke motivaties als zelfontplooiing zijn vooral in West-Europa toegenomen.

Maar het verklaart niet waarom ook lageropgeleiden plotseling voor beroepseer pleiten. Was de term ‘professional’ vroeger voorbehouden aan de advocaat en de notaris, nu wil iedereen de erkenning dat wat hij doet een ‘vak’ is. Zoals de serveerster die er genoegen in schept tijdens een diepgaande conversatie het mes zo geruisloos mogelijk op tafel te leggen.

Marjan Kouwenberg: „Als alles weer schoon is, geeft mij dat voldoening. Dat heeft iedereen met zijn werk. En als anderen dan nog zeggen ‘mooi gedaan’, dan ga ik helemáál huppelend naar huis.”

Werk, zegt Jansen, zijn we de laatste jaren weer belangrijker gaan vinden. „Lang hebben we gedacht dat we het geluk konden vinden in onszelf. Het bleek de misvatting van het individualisme. Zingeving zijn we als reactie daarop weer gaan zoeken in onze sociale context, ons werk. Het geeft ons eigenwaarde. We scheppen er plezier in om ergens beter in te worden. Het is terugkeer naar vakmanschap. Oude waardes als ambacht en beroepstrots blijken universeel te gelden.”

Ook voor Marjan Kouwenberg werd het schoonmaakwerk een steeds belangrijker aandeel van haar identiteit. Wat 24 jaar geleden begon als een kleine bijverdienste in de avonduren groeide uit tot een dagelijkse bezigheid, zes uur per dag en vijf dagen per week.

Met groeiend enthousiasme bekwaamde Kouwenberg zich in haar ambacht. Tegelijkertijd daalde het totale aantal schoonmaakuren voor haar kantoorpand in een paar jaar tijd drastisch: van 700 tot 400 tot 200 uur per week. Ook sneuvelden collega’s in de prijzenoorlog van de schoonmaakbranche en werd de aanblik van Kouwenbergs schoonmaakkar in de hoofdgang tijdens kantooruren niet langer getolereerd. „Ik voel me als een voetveeg behandeld.”

Precies zo is het gegaan met de leraren, de agenten, de zorg. Terwijl hun ambities groeiden, daalde de werkvreugde. Er kwamen extra managementlagen, vakkennis ging ‘competentie’ heten, ‘schaalvergroting’, ‘Excelsheets’ en ‘minutenzorg’ deden hun intrede. Jansen: „Er werd gesleuteld aan mensen alsof het robots waren. Zelf nadenken mocht niet meer. De manager draaide aan de schroefjes om de efficiency van de werknemer te vergroten.”

Maar zo werkt de mens niet, zegt Van den Brink, die aan de Universiteit van Tilburg onderzoek doet naar de drijfveren van werknemers. „Vraag je de politieagent naar de beleving van zijn werk, dan vertelt hij niet over targets. Hij heeft het over rechtvaardigheidsgevoel, autonomie en ‘willen leren’. Zelfs werknemers van de Rabobank, een bedrijf in de ‘harde sector’, vertellen over maatschappelijke aspecten en ethische dilemma’s, niet over spreadsheets.”

Werkgever en werknemer spreken, kortom, niet meer elkaars taal.

Waar ging het mis? Paradoxaal genoeg met het centraal stellen van het individu in de jaren 60, zegt filosoof Ad Verbrugge, verbonden aan de Vrije Universiteit. „Je eigen opvattingen en niet die van de baas werden doorslaggevend. ‘Arbeidsethos’ werd plots gezien als een onderdrukkingsmechanisme. Op tijd naar je werk, omdat de baas dat wil? Ach, waarom zou je?”

Werk veranderde van een plicht in een recht. De baas mocht blij zijn dát je werkte. De vakbonden, eind negentiende eeuw opgericht om de werknemers te beschermen, namen die zakelijke houding over. Verbrugge: „Looneisen, vakantiedagen, pensioenen en collectieve spaarregelingen kwamen centraal te staan: hoeveel verdien ik? Ben ik wel goed beschermd?”

Werkgevers betaalden met gelijke munt terug. Ook bij hen trad in de jaren 80 en 90 de verzakelijking op. Het wantrouwen jegens werknemers groeide, evenals het idee dat de samenleving maakbaar is. Er ontstond een marktmodel met al zijn managementlagen. De bureaucratie en systeemdwang waar leraren en schoonmakers nu zo tegen zijn.

De paradox, zegt Verbrugge, is dat veel managers van nu de linkse studenten waren die in de jaren 60 pleitten voor zelfontplooiing. „Toen ze onderaan de ladder stonden, waren ze voor inspraak, nu ze bovenaan staan niet meer.”

De calculerende werknemer die zich sterk maakt voor 0,5 procent loon erbij: vakbonden en werkgevers kunnen dat beeld niet loslaten, ook al heeft die werknemer zelf inmiddels een hele andere agenda. Het verklaart volgens Jansen de crisis binnen de FNV en het teruglopend ledental. „De vakbonden zijn te lang doorgegaan op de oude voet.”

Inmiddels hebben de vakbonden het begrepen. ‘Beroepseer’ en ‘respect’ zijn hun nieuwe modewoorden. Maar zulke termen verankeren in de cao is nog niet zo eenvoudig, denkt Van den Brink. „Werkgevers moeten gaan snappen dat werk ook een morele, culturele kant heeft. Dat mensen iets willen bereiken vóór hun pensioen. Daarvoor zal de samenleving eerst haar economische bril moeten afzetten. Het is nog te veel: hoe meer markt, hoe beter.”

De economische crisis geeft hoop, zegt Jansen. „Managementlagen zie je al verdwijnen door de bezuinigingen. Organisaties worden platter. Dat levert werknemers meer autonomie op.”

Marjan Kouwenberg heeft haar eerste staking ooit erop zitten. „En, wat vonden we ervan?” vraagt de vakbondsman op het parkeerterrein. „Degene die we te spreken kregen, was gewoon kantoorpersoneel”, zegt iemand. „Dit is pas het begin”, zegt de vakbondsman. „Blijf bij elkaar en wees sterk. Reken maar dat ze op kantoor nu in paniek zijn.”

Kouwenberg trekt haar gele hesje uit. Wat ze nu gaat doen? „Het huis boenen. Daar kom je normaal nooit aan toe.”