Hij fulmineerde jarenlang op keurige toon tegen de elite

Herman Tjeenk Willink neemt morgen afscheid van de Raad van State. Hij was bijna 15 jaar lang vicepresident, en had bijna 15 jaar lang kritiek op de overheid en haar vele tussenlagen. En op de politiek. Die negeerde het ‘staatsrechtelijk geweten’ steeds meer.

Het viel meteen op: de fiscalist Willem Scholten was opgevolgd door de jurist Herman Tjeenk Willink. Een PvdA’er was in de plaats gekomen van een CDA’er. Bij zijn eerste advies, over de Miljoenennota in 1997, ging de vicepresident meteen tegen de mode in, met zijn kritiek op de ontwikkeling om overheidsinstellingen te onderwerpen aan de tucht van de markt. Dat dreigde door te schieten onder het Paarse kabinet, waarvan hij nota bene als informateur aan de wieg had gestaan. Tjeenk Willink vond de taken van de overheid te belangrijk „om ze louter aan de wetten van vraag en aanbod over te laten”.

Vond. En vindt. De vicepresident, die gisteren 70 is geworden en morgen na ruim 14 jaar afscheid neemt, hanteerde één constante in zijn adviezen: de noodzaak om de democratische rechtsstaat tegen corrumperende invloeden te behoeden. Zoals die van interim-managers en marktdenken op de overheidsdiensten. Want wat zei hij dit jaar in een interview in deze krant? „Je rekent uit dat het goedkoper is de conducteur op de bus, of de conciërge op school weg te doen, puur economisch gemeten. Maar het blijkt per saldo duurder te zijn, omdat je niet hebt meegenomen hoe mensen zullen reageren in een verruwd klimaat.”

En hij had meer te vertellen, elk jaar weer. Hij bekritiseerde het onvermogen van politieke partijen om na de ontzuiling van Nederland het staatsbestel van nieuwe legitimiteit te voorzien, en van de machthebbers om buiten hun dogma’s te denken.

Het einde van meer dan een decennium Tjeenk Willink. Wat heeft Nederland van hem gemerkt? Een vraag zonder makkelijk antwoord, zeggen politici die met hem hebben samengewerkt. Vooral omdat een belangrijk deel van zijn invloed niet algemeen zichtbaar werd.

Als beschouwer werd hij geroemd. Alle klachten over politici en overheid waar weblogs als GeenStijl nu van leven, waren al door Tjeenk Willink bedacht.

Neem het fulmineren tegen de ‘elite’. Tjeenk Willink deed het ook. Hij omschreef in 2007 een „spraakmakende elite” in Nederland die de noodzakelijke veranderingen in het overheidsbestuur tegenhield. Deze „tussenlaag” tussen ministers en mensen die het beleid uitvoeren bestaat uit: „ambtenaren, onderzoekers, rekenmeesters, communicatiedeskundigen, toezichthouders, adviseurs en managers”. Deze mensen vormen een netwerk dat zichzelf in stand houdt. Ze spreken dezelfde taal, denken hetzelfde. „Signalen uit de buitenwereld dringen slechts in aangepaste vorm door”, schreef Tjeenk Willink.

Toch is er bijna geen grotere afstand denkbaar tussen GeenStijl met het motto ‘tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend’, en de altijd bedachtzame, voorkomende en bescheiden scheidend vicepresident van de Raad van State. Hij zat diep genesteld in een van de bekritiseerde instituties. Hij bewoog zich, een of twee uitzonderingen per jaar daargelaten, altijd buiten de openbaarheid. En hij paarde kritiek aan ideeën voor oplossingen en een beredeneerde liefde voor het Nederlandse bestel.

Zo terughoudend was hij, dat dit een verwijt werd. Moest hij – een man met zoveel aanzien en zachte macht – niet harder ageren tegen de misstanden die hij zo helder wist te signaleren? Want de traditie om elk jaar weer een ander aspect van het overheidshandelen te fileren, leverde ook een andere traditie op: het negeren van zijn kritiek door de machthebbers van het moment.

Tjeenk Willink accepteerde dat altijd. Hij was het ‘staatsrechtelijk geweten’ en naar het geweten wordt niet altijd geluisterd. Enige jaren geleden zei hij, daarover aangesproken: „Als je er niet tegen kan dat je adviezen worden genegeerd, dan moet je geen adviseur worden.”

Hij had een verklaring voor de onwil of het onvermogen van de bestuurders om, ondanks lof, zijn kritiek ter harte te nemen. In typische stijl: „Het is interessant te constateren dat de zorg van politici en bestuurders over maatschappelijke waarden groter is geworden, maar hun kennis van de eigen staatkundige waarden en spelregels drastisch is verminderd.”

Wat veel politici in de ogen van Tjeenk Willink steeds minder begrepen, was het doel van de scheiding der machten, en hoe daardoor het overheidsbestuur sterker wordt.

De zwakte van het Nederlandse parlement, vaak gebonden aan een regeerakkoord en daarom kritiekloos volger van de regering, zag hij als voorbeeld. Of de voortdurende kritiek van politici op de rechterlijke macht, en hun pogingen die in te perken.

Vaak ging hij tegen de heersende tijdgeest in. Soms was hij zijn tijd ver vooruit. In 1980 schreef Tjeenk Willink al: „Zonder parlementair debat kunnen maatschappelijke tegenstellingen voortwoekeren en kan de maatschappelijke polarisatie toenemen.” Dat was lang voor Fortuyn.

Uiteindelijk, een jaar voor zijn afscheid, werd Tjeenk Willink zelf slachtoffer van die gepolariseerde verhoudingen. Tijdens de vorige kabinetsformatie werd hij bekritiseerd omdat hij ‘als PvdA’er’ partijdig zou zijn. PVV-leider Geert Wilders vroeg zelfs om zijn ontslag. Zo kon Tjeenk Willink zelf worden toegevoegd aan het rijtje in opspraak gebrachte overheidsinstellingen.

Ondanks zijn soms sombere wereldbeeld, en de wetenschap dat zijn kritiek vaak aan dovemansoren was gericht, dacht Herman Tjeenk Willink nooit aan stoppen: „Ik wil kunnen denken: aan mij kan het niet gelegen hebben.”