Dat getwitter en gefacebook hoeft voor mij allemaal niet

Onderzoek naar NVJ-journalisten: ze zijn nauwelijks actief op internet. NRC-ombudsman Sjoerd de Jong over journalistiek en internet: „Journalisten kunnen niet meer volstaan met informatie doorgeven.”

Ombudsman NRC

De lancering verliep goed, zij het een uur later dan gepland. Maar toen de server eenmaal was uitgehoest, stond hij toch maar op het scherm: de homepage van NRC Handelsblad. Een site met nieuws, achtergrondstukken, archief en advertenties.

Hubert Smeets, adjunct-hoofdredacteur, en Dirk Limburg, systeemredacteur, konden dus tevreden zijn, op de Amsterdamse redactie van de krant waar ze die zaterdagmiddag in juli 1995 de launch van de site met eigen handen verrichtten. Met eigen handen, want zoiets als een internetredactie was nog ondenkbaar.

De eerste die sputterend via zijn modem inbelde naar de nieuwe site was Bert van den Berg, directeur van de Nederlandse Dagblad Unie. Toen was het tijd voor de champagne en zalm die Smeets had meegebracht om het heugelijke feit te vieren. Getweeën, want het project werd niet echt door het hele bedrijf gedragen.

Uit een enquête onder leden van de Nederlandse Vereniging van journalisten NVJ (van de ruim 5.675 verstuurde vragenlijsten werden er 1.016 ingevuld), bleek dat Nederlandse journalisten inmiddels veel gebruik maken van internet, maar weinig actief zijn op sociale media. Slechts 14 procent houdt een weblog bij. Het onderzoek leidde hier en daar tot besmuikte reacties: suf zooitje, die journalisten. En zo oud!

Die adjunct en systeemredacteur, toen beiden 39, bevonden zich in de voorhoede van de digitale journalistiek. Internet was toen nog een onzeker avontuur. Was het een mediarevolutie, zoals Nicholas Negroponte in Being Digital juichte, of hippe flauwekul die niks opleverde? De avond voor de lancering had Smeets gebeld met Van den Berg om een go of no go te krijgen. Hij kreeg geen van beide en concludeerde: wie zwijgt, stemt toe.

Met die site was NRC Handelsblad op 1 juli 1995 de eerste Nederlandse landelijke krant die online ging. De Volkskrant volgde snel. Maar nog geruime tijd later typeerde toenmalig hoofdredacteur Ben Knapen het medium op een redactiebijeenkomst als een mengeling van „intellectuele zelfbevrediging en Spielerei”.

Ook toen de site live was, verliep de digitalisering van de krant niet zonder hobbels. Toen de oplage van de papieren Weekeditie van de krant stagneerde, gingen stemmen op om de stekker uit de site te trekken. De rubriek ‘Tegenspraak’ die in 1996 begon – en waar bezoekers per e-mail (!) konden reageren – stuitte op aarzeling bij de directie: was die naam niet te negatief? De tijd van Alexander Klöpping (toen 8) en Bert Brussen (toen toch alweer 20) was nog ver weg.

Maar er wáren dus early adopters onder Nederlandse journalisten – al waren het er niet veel. De ‘kerngroep’ waarmee Smeets werkte, bestond, behalve hemzelf, uit systeemredacteur Limburg en twee of drie vakredacteuren. In 1996 kon de redactie één contractant aantrekken die HTML sprak, om te helpen de gestaag uitdijende site in de lucht te houden.

Die geschiedenis van digitaal vallen-en-opstaan relativeert – een beetje – de receptie van het NVJ-onderzoek. Nrc.nl, inmiddels vele gedaantewisselingen verder, vatte het rapport zo samen: „Een jaar of 50, tamelijk links, wars van internet, en hij heet Peter. Dat is de gemiddelde journalist.” De redactie zette er de lekkere kop ‘Hij heet Peter en is een beetje een zeikerd’ boven. Geestig, want de auteur van het stukje en chef van nrc.nl heet Peter van der Ploeg en is nu juist helemaal niet het gemiddelde: jaloersmakend jonger dan vijftig en opgegroeid met internet.

„Het zijn de principes die de boventoon voeren bij Peter”, stelde Van der Ploeg vast over zijn naamgenoten. „Hij vindt zelfs dat internet überhaupt niet zo’n zegen voor de journalistiek is. De journalistieke zorgvuldigheid wordt aangetast door internet, zeurt Peter”, aldus Peter. Weinig hoopvol, voor de vijftigers in het vak.

Gelukkig valt het waarschijnlijk mee. Uit het onderzoek blijkt dat internet in elk geval „sterk geïntegreerd” is in het dagelijkse werk van journalisten – en dat is maar goed ook. Lijkt vanzelf te spreken voor wie biografisch na 1985 is gelanceerd, maar dat is het niet. Bovendien: hoe representatief is een enquête onder leden van de vakbond? De onderzoekers werpen die vraag zelf ook op, alleen al omdat jongeren minder vaak lid worden van een bond.

Journalisten kunnen anno 2012 niet meer volstaan met informatie doorgeven. Burgers kunnen hun data bij elkaar klikken en toetsen uit een overweldigend aanbod. Ook de rol van ‘gids’ – een steward die de lezer met een dienblad op de arm door het nieuws loodst – is niet voldoende. Ook zulke gidsfuncties zijn voor bezoekers van sites te krijgen.

Wat dan wel?

Niet alleen doorgeven, ook niet louter gidsen, maar graven, wegen en schiften – waarheid van onwaarheid en zinnig van onzin. Op die eerste dag van nrc.nl in 1995 stond er ook een lang, voorspellend stuk van adjunct Smeets op de site. Onder de Peter-achtige kop ‘Ongebreidelde informatie, dat werkt pas afstompend’, voorspelde hij dat het nieuwe medium aanvankelijk op aarzeling en scepsis zou stuiten: „Het patroon van de angst voor de nieuwe media is bijna altijd hetzelfde. Eerst ziet men alleen anarchie en subversief gedrag.” Joop den Uyl was immers al bang geweest voor de ontwrichtende effecten van de bioscoop.

Daarna zou volgens Smeets de „behoefte aan selectie en normering” indalen. „Een krant, als focus van selectie en analyse, is daarbij een onontbeerlijk instrument. Dat hoeft niet altijd op papier te zijn, via het beeldscherm kan het ook, en vermoedelijk niet slechter.”

Ja, er stond in 1995 nog ‘vermoedelijk’ – maar toch.