Beeldenroof

De Carmiggelts ontvoerd!Dat kan natuurlijk niet, maar toch is het echt waar: in De Steeg, dat dorpje aan de oostelijke Veluwezoom, is het levensgrote beeld van Simon en Tiny Carmiggelt, gezeten op een bankje nabij hun geliefde IJssel, geroofd. Dit tot ontzetting van de plaatselijke bevolking, die trots was op dit aandenken aan haar beroemde, voormalige hotelgasten.

Het moet een niet geringe klus zijn geweest, die roof, want het beeldhouwwerk woog honderd kilo en zat met de voeten aan de grond verankerd. Maar de moderne koper- en bronsdief staat voor niets, goed geëquipeerd zaagt en sjouwt hij er vrolijk op los. In het nabije Dieren was kort daarvoor een bronzen paard bij de poten afgezaagd en meegenomen.

Op de website van PowNed wezen inzenders al de vermoedelijke daders van deze roof aan op een wijze waaraan Carmiggelt ‘zijn’ Nederland niet zou hebben herkend. „Kijk eens naar onze mede-Europeanen, zou ik zeggen. Vooral die uit nieuwe landen afkomstig zijn.” „Nou, die zijn nu op weg naar Polen, met dank aan uw regering, Nederland is triest en terminaal ziek.”

Zes jaar geleden nam ik een kijkje in De Steeg. „Simon en Tiny Carmiggelt zijn alweer zo lang dood dat ook hun beelden oud beginnen te worden”, schreef ik. „Hun lange, degelijke regenjassen en grote brillen zijn uit de mode geraakt sinds de beelden in 1990 werden onthuld.” Maar de mode is grilliger dan ik dacht, want inmiddels zijn die grote brillen weer zeer geliefd.

De Steeg verdiende zijn beeldhouwwerk, want voor de Carmiggelts is dit plaatsje niet zomaar een toeristisch doorgangshuis geweest. Vanaf het begin van de jaren zestig tot 1986 logeerden ze regelmatig in vaste hotels in De Steeg. Ze leerden in die hotels een deel van de plaatselijke bevolking goed kennen.

In het boekje De Steeg en Carmiggelt lees ik dat voor Simon en Tiny hun favoriete tijdverdrijf met menig Stegenaar het knobelen was, het gokken met drie dobbelstenen. Om 24.00 uur was het sluitingstijd bij hotel Hekkelman, maar vaak wilden de gasten nog niet vertrekken. „Willen ze weer niet weg, Toos”, zei Simon dan tegen de waardin. Vervolgens nam hij achter de bar plaats en zei tegen de gasten: „Nou jongens, wij zingen nog even het Wilhelmus en daarna opgesodemieterd.”

Wim Kan, die zelf in de buurt woonde, wees de Carmiggelts op de vredigheid van De Steeg. Hij stelde Carmiggelt voor aan een markante, oude man, Jacob Sies, bijgenaamd ‘Happy’. Hij was de zoon van een Haagse aapjeskoetsier en had een zwervend leven achter de rug. Carmiggelt schreef een mooi in memoriam over hem, te lezen in het boek van Tony van Verre over Carmiggelt.

„Ik heb veel verhalen uit zijn mond opgeschreven”, schreef Carmiggelt. „Hij was een intuïtieve mensenkenner en hij kon, wanneer hij vertelde, een voorbije wereld haarscherp voor je oproepen.”

Carmiggelt en zijn vrouw zochten Happy op toen hij lag te sterven in het ziekenhuis. „Mijn vrouw legde haar hand op zijn arm en noemde onze namen. Na een tijdje opende hij zijn ogen en keek ons heel even aan met een mateloos sombere blik. Toen sloot hij ze weer. Misschien heeft hij nog geregistreerd dat we er waren. De fles rode wijn die we vorige keer hadden meegebracht, stond halfvol naast zijn bed als een symbool van zijn grote liefde – Frankrijk.”

De ene grote verhalenverteller nam afscheid van de andere. Allemaal dankzij ‘De Steeg’. Dat beeld moet terug.