Oud ideaal zoekt nieuw stemgeluid

Na de komende verkiezingen in Europese landen hopen overal socialisten aan de macht te komen. Maar zij zijn nog op zoek naar een aansprekende agenda. En kiezers.

Na de financiële crisis die in september 2008 uitbrak is in de meeste Europese landen de werkloosheid gestegen, de ongelijkheid toegenomen, het pensioen minder zeker geworden, het niveau van de publieke voorzieningen gedaald. Er is een roep om meer ingrijpen door de staat: allemaal traditionele sociaal-democratische thema’s.

De kapitalistische crisis levert sociaal-democraten echter geen verkiezingswinst op. Sinds september 2008 zijn er in de Europese Unie 24 nationale verkiezingen geweest. Daarvan zijn er negentien verloren door de sociaal-democratische familie. En in Portugal, Slovenië en Griekenland heeft een gekozen linkse regering al snel plaats moeten maken. Alleen in Oostenrijk, Denemarken en sinds kort België heeft de premier een rood randje. Conservatief-liberaal zet de toon.

Het illustreert het falen van de sociaal-democraten, overal in Europa. De overheid bezuinigt, mensen zijn bang iets te verliezen: hun pensioen, hun koopkracht, hun baan, sociale zekerheid. Het is geen tijd van grote perspectieven, maar van moedeloosheid – de Franse politicoloog Dominique Moïsi noemt Europa het continent van de angst. En geen enkele politieke beweging is daardoor zo in het defensief gedrongen als die van de klassieke sociaal-democratische partijen. Vooral zij zijn op zoek naar een nieuw verhaal.

Vorig voorjaar ging een golfje van hoop door de Europese sociaal-democratie toen de Britse historicus Tony Judt zijn pamflet Het land is moe publiceerde. Judt oogstte instemming met opmerkingen als: „Er is iets diepgaand mis met de manier waarop we leven.” Of: „Er is veel om boos over te zijn: groeiende ongelijkheid in rijkdom en kansen; onrecht jegens klasse of kaste; economische uitbuiting in eigen land of daarbuiten; corruptie en geld en privileges die de aderen van de democratie verstoppen.”

Maar nergens in Europa is dat vertaald in een aansprekend programma. Het blijft bij slogans. De Britse Labourleider Ed Miliband pleit voor ‘verantwoordelijk kapitalisme’. De Duitse SPD-voorzitter Sigmar Gabriel wil het kapitalisme ‘temmen’ en merkt op dat de democratie in gevaar is als Europese leiders alleen maar durven te vergaderen als de beurzen dicht zijn. François Hollande belooft de Fransen een totaalpakketje van Europees ‘herstel’, ‘sociale rechtvaardigheid’ en ‘hoop’.

Terwijl nog wordt gewerkt aan de formulering van aantrekkelijke vergezichten zijn in heel Europa verkiezingen op komst. In april zijn er presidentsverkiezingen in Frankrijk, waar de socialistische kandidaat Hollande voor ligt in de peilingen. Uiterlijk volgend jaar moet bondskanselier Merkel de kiezer trotseren. Dan kiest ook Italië. Overal maken de sociaal-democraten vooral kans omdat zij nu eenmaal het dichtst bij gelegen alternatief in de midden zijn voor de zittende regering.

De leiders worden daarop uitgezocht – niet op hun ideeën, maar op een niet te risicovol profiel. Zo aarzelt de SPD tussen drie degelijke en betrouwbare kandidaten: fractieleider Frank-Walter Steinmeier, oud-minister van Financiën Peer Steinbrück, en partijvoorzitter Sigmar Gabriel. In Italië is het ruziënde links vooral verenigd tégen het kamp van Berlusconi, niet ergens vóór.

En waar zouden ze eigenlijk vóór moeten zijn? Tien jaar geleden, met de ‘derde weg’ van Blair en Schröder, leken de sociaal-democraten in grote lijnen het neoliberale idee te onderschrijven dat de staat zo klein mogelijk moet zijn, om de ontplooiing van mens en bedrijf niet in de weg te zitten.

Nu pleiten sociaal-democraten weer meer voor een actieve overheid – die investeert in de economie, toezicht houdt op de markten en ongelijkheid corrigeert. Maar nog steeds, constateerde Job Cohen in november in deze krant, hanteren de meeste sociaal-democraten in wezen een liberaal wereldbeeld. Ze zijn slechts „dempers van een rechts ideaal”. Het idee van een publiek belang dat het individu overstijgt, raakt op de achtergrond.

Vooral laagopgeleide kiezers herkennen zich al langer niet in het overwegend hoog opgeleide, kosmopolitische partijkader. Sociaal-democratische partijen, die vroeger konden claimen volkspartijen te zijn, zijn aan twee kanten afgekalfd. Ze hebben aanhang verloren aan rechtse populisten als de PVV, het Franse Front National en de Italiaanse Lega Nord, en aan linkse populisten als de Socialistische Partij, de Franse Parti de Gauche, en de Duitse Die Linke.

De populisten werpen zich op als politieke thuishaven voor de verliezers van de globalisering. Hier en daar proberen gevestigde sociaal-democratische partijen weer volkser te worden. Zo vervingen de Zweedse sociaal-democraten de stadse Mona Sahlin door Hakan Juholt, een stevige man met een snor die je je makkelijk kunt voorstellen in een overall. Bij de PvdA verschijnt Hans Spekman. In Groot-Brittannië pleit ‘Blue Labour’ voor een meer sociaal-conservatieve benadering op het gebied van misdaad en immigratie. Het is niet alleen een kwestie van volks charisma. Sommige sociaal-democraten zien de crisis als een kans voor een eigentijds programma. Zoals Judt schreef: „Als links weer serieus genomen wil worden, moet het zijn stem hervinden.”

Maar hoe? De links-populisten die de oude electorale basis van de sociaal-democraten opeisen, zijn kritischer over migratie, markt en de globalisering dan de klassieke sociaal-democratische partijen – juist omdat zij zoeken naar een alternatief voor de dominantie van de markt. De links-populisten zijn vaak ook minder Europees gezind. „Europa is de graat in de keel van de sociaal-democraten”, zegt René Cuperus, die bij de PvdA de buitenlandse contacten onderhoudt. De sociaal-democraten willen wel meer Europa, maar dan minder technocratisch, minder financieel-monetair. En vooral minder neoliberaal.

De Duitse SPD en de Franse Parti Socialiste meldden onlangs samen dat ze in een beter Europa hun belangrijkste gezamenlijke project zien. Vraag is of je daarmee kiezers wint.