Met managerslogica ontsla je de besten

Betere klassieke docenten had een universiteit zich niet kunnen wensen: Gerbrandy en Rijser. Toch worden ze aan de kant gezet, door de baasjes, verklaart Anton van Hooff.

In het kader van de nauwe samenwerking tussen de afdelingen klassieken van de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Vrije Universiteit (VU) worden twee coryfeeën onder de docenten aan de kant gezet, terwijl aan beiden een vaste aanstelling in het vooruitzicht was gesteld. Opnieuw blijkt goed onderwijs een universitaire sluitpost en de universiteit een onbetrouwbare werkgever.

Dodelijk saai was het onderwijs klassieke talen dat de Tachtigers kregen aan de Gemeente Universiteit (nu UvA). Een van de jongere volgelingen, de Homerusvertaler Aegidius W. Timmermans, schreef: „Wie gehoopt had, zooals wij literatoren, eenige vrucht van de colleges te zullen genieten, kwam bekocht uit; alles was even saai en dor en dood en vervelend. Van het bestaan eener schoonheid in de Grieksch-Romeinsche letterkunde had geen onzer professoren eenig vermoeden of hield dat althans zorgvuldig geheim” (Tim’s Herinneringen, 1938).

Tegenwoordig zijn de UvA-studenten Griekse en Latijnse Talen en Cultuur er heel wat beter aan toe. Minstens twee van hun docenten zijn van een kwaliteit die zowel binnen als buiten de universiteit wordt erkend. Piet Gerbrandy schrijft zelf (ruige) poëzie, literaire kritieken, vertalingen en essays. In zijn boeken voor een groter publiek ontziet hij klassieke heilige huisjes niet.

Ook David Rijser (cum laude gepromoveerd, met staande ovatie) publiceert veel. Zijn onderwijskwaliteiten maakten hem tot een van de drie kandidaten voor de titel ‘UvA-docent van het jaar’. Rijser hoeft niet bang te zijn dat een oud-student ooit schrijft wat Timmermans indertijd aan de UvA meemaakte: „Het was in dien tijd – October 1880 – dat ik in een doodelijk-kale kamer van de Amsterdamsche Universiteit het college van prof. Naber bij moest wonen, dat, als ik mij niet vergis, over Sofokles’ Elektra handelde. Het kan even goed Homerus of Euripides geweest zijn, want niemand luisterde ooit.”

Naar Rijser en Gerbrandy wordt wel geluisterd; zij behoren tot het uitstervende ras van universiteitsdocenten die nog echt voor de klas hebben gestaan. Daar leer je dat interactie de motor van onderwijs is. De enkele keer dat ik een hoorcollege van een ‘academische’ collega bijwoonde, werd ik pijnlijk getroffen door het absolute gebrek aan communicatie; de docent ging helemaal op in zijn eigen verhaal en had absoluut niet in de gaten dat de zaal met open ogen zat te slapen. Zo’n gebrek aan onderwijsbesef werken de obligate cursusjes didactiek voor universiteitsdocenten niet even weg. Juist de klassieke talen staan of vallen bij bevlogen, inspirerende docenten. Onderwijsdieren zoals Gerbrandy en Rijser zijn een kostbaar bezit dat de alma mater aan haar boezem zou moeten koesteren.

Nu is echter nota bene aan deze twee coryfeeën ontslag aangezegd, tot verbijstering van hun studenten en van henzelf. In het vertrouwen op allerlei toezeggingen zijn beiden, ondertussen ‘vijftigers’, zo naïef geweest om de zekerheid van het leraarsbestaan op te geven. Hun werd in het vooruitzicht gesteld dat de tijdelijke aanstellingen vanzelf zouden uitmonden in vaste betrekkingen.

Maar opeens kwamen de universiteitsbazen op het idee om de afdelingen klassieken van de UvA en de VU nauw te laten samenwerken. Nee, van een fusie was echt geen sprake, slechts van enge coöperatie.

Zulke mistige operaties zijn koren op de molen van de managers. Nu kunnen ze hun macht laten gelden, door anderen weg te saneren. Met krokodillentranen verklaren ze dat ze de regel moeten toepassen: 80 procent van de staf in vaste aanstelling, 20 als losse arbeiders. En heel spijtig, Rijser en Gerbrandy waren formeel nog niet in vaste dienst, dus…

De Romeinen noemden de spreekwoordelijke trouweloosheid van de Carthagers ‘Punische trouw’, fides Punica. De UvA demonstreert fides academica.

Anton van Hooff is classicus. In 2008 verliet hij de Universiteit van Nijmegen omdat hij zijn buik vol had van de toenemende hiërarchie.