Het biologisch equivalent van de atoombom

Nederland staat in het brandpunt van een intens internationaal debat en we hebben het nauwelijks in de gaten. Het gaat over academische vrijheid, maar ook over terrorisme en het gevaar van een virus dat honderden miljoenen mensen kan doden als het ontsnapt uit een laboratorium in Rotterdam.

Vooral in wetenschappelijke kring laait de discussie hoog op. Maar het is een kwestie die, letterlijk, de hele wereld aan gaat.

De vraag is: heeft een viroloog van de Erasmus Universiteit het biologisch equivalent van de atoombom ontwikkeld? Of heeft hij een grote stap gezet die op den duur kan helpen bij het intomen van een pandemie van vogelgriep onder mensen?

Het ziet ernaar uit dat hij zowel het één als het ander heeft gedaan. En dat stelt de wereld voor een moeilijk dilemma.

Professor Ron Fouchier is er in zijn Rotterdamse laboratorium in geslaagd het vogelgriepvirus H5N1 zo te veranderen dat zoogdieren, en waarschijnlijk ook mensen, elkaar ermee via de lucht kunnen besmetten. Dat heeft in de wetenschap een enorme schok te weeg gebracht.

Tot nu toe is het vogelgriepvirus, voor zover bekend, alleen op de mens overgebracht door intensief contact met vogels, vooral in Zuid-Oost Azië. Maar Fouchier ontdekte dat slechts een handvol mutaties nodig is om er een virus van te maken dat mensen op elkaar kunnen overbrengen. Als zo’n virus in de natuur ontstaat, of door kwaadwilligen vanuit een laboratorium in omloop wordt gebracht, zullen de gevolgen catastrofaal zijn. Ongeveer de helft van de mensen die besmet wordt zal het niet overleven.

Moeten de onderzoeksresultaten van Fouchier (en een Japanse viroloog in de VS die vergelijkbaar onderzoek heeft gedaan) nu geheim worden gehouden, om te voorkomen dat terroristen, of landen met dubieuze bedoelingen, ervan kunnen profiteren? En moet het nieuw ontwikkelde virus vernietigd worden, zoals The New York Times in een commentaar opperde?

Of moet aan de academische vrijheid niet worden getornd, zodat onderzocht kan worden welke vaccins effectief zijn tegen dit extreem gevaarlijke virus? En moeten de bevindingen openbaar worden gemaakt, zodat de autoriteiten in landen waar vogelgriep voorkomt snel kunnen herkennen wanneer het virus een aantal cruciale mutaties heeft doorgemaakt? In zo’n geval kan dat land drastisch ingrijpen (ruimen van de hele pluimveestapel bijvoorbeeld), voordat het virus ook de laatste mutatie ondergaat waarmee het van mens-tot-mens besmettelijk wordt.

Maar algemene verspreiding van de bevindingen van Fouchier zou ook betekenen dat landen als Iran en Noord-Korea informatie krijgen waarmee ze een biologisch massavernietigingswapen kunnen maken.

De Amerikaanse regering is daarom erg kritisch over verspreiding van de uitkomsten van het Rotterdamse onderzoek – dat overigens gefinancierd is door de Amerikaanse National Institutes of Health.

In het debat staan experts op het gebied van terrorisme tegenover wetenschappers en instanties die zich bezighouden met bescherming van de volksgezondheid tegen epidemieën. Maar ook binnen de wetenschap zijn de geesten verdeeld.

Het is daarom verstandig dat een groep vooraanstaande virologen in de wereld, onder wie Fouchier, vrijdag afgesproken hebben dit soort onderzoek zestig dagen stil te leggen. De gemoederen kunnen zo enigszins tot bedaren komen.

Ondertussen mag het debat niet tot de wetenschap beperkt blijven. Het moet ook in de internationale politiek gevoerd worden. Is een land als Nederland geschikt om zo’n gevaarlijk virus te herbergen? Is het lab in Rotterdam genoeg beveiligd? Maar vooral: is het grote risico van dit onderzoek, en van de verspreiding van de uitkomsten, de mogelijke voordelen waard? Daar zal in landen waar nu al vogelgriep voorkomt anders over gedacht worden dan in landen die vooral beducht zijn voor terrorisme. Maar virussen respecteren geen grenzen. Dus het is zaak in internationaal overleg een oplossing te vinden.

Juurd Eijsvoogel