Heer op safari naar Franse onderklasse

Als François Hollande in mei Frans president wordt, belooft hij meer Europa. Maar hij moet kiezers winnen die zich zien als de verliezers van Europa en globalisering. Voordeel van de twijfel is het hoogst haalbare.

‘Hei Francesco!’ Als François Hollande de trappen van het gemeentehuis van Gandrange beklimt, probeert een in bloedrode plastic vakbondsvuilniszak gestoken staalarbeider hem een beetje uit te dagen. Francesco is niet zomaar Italiaans voor François, het is ook de naam van de kapitein van het gekapseisde cruiseschip Costa Concordia, waarmee Hollande vorige week weinig fijnzinnig werd vergeleken door minister van Defensie Gérard Longuet.

Gandrange ligt in een belangrijk electoraal wingewest voor de socialistische kandidaat bij de presidentsverkiezingen in april en mei. De noordoostelijke industriestreken van Frankrijk stemden een groot deel van de twintigste eeuw rood. Nu zijn juist de lagere inkomensklassen, arbeiders, werklozen, ambtenaren, op drift. Vijf jaren geleden hielpen ze de rechtse kandidaat Nicolas Sarkozy aan de overwinning. Nu lijkt in peilingen de rechtse nationalist Marine Le Pen onder deze kiezers sterk in opkomst. Voor een sociaal-democraat is een uitstapje naar de onderkant van de samenleving – waar de verliezers van de globalisering wonen – tegenwoordig een safari naar vreemd, vijandig terrein.

Hollande houdt halt, keert een trede terug, haalt zijn vriendelijkste glimlach boven en drukt de man de hand. „Aangenaam, François Hollande.” Dat weet de staalarbeider wel te appreciëren. „Klasse”, zegt hij, ietwat betrapt door het onverwachte resultaat van zijn provocatie. Het is nog eens wat anders dan het ‘casse toi, pauvre con’ (rot op, arme sukkel) waarmee president Nicolas Sarkozy ooit uitpakte op de Parijse landbouwbeurs toen een bezoeker hem weigerde de hand te schudden.

Normaal doen, beleefd de discussie met het volk aangaan, afstand nemen van het vulgaire bling-bling van de zittende president. Dat is één kenmerk waarmee Hollande zich wil onderscheiden van Sarkozy. Het lukt hem aardig. Hij is dan ook gewoon een vriendelijke man, volgens sommigen zelfs grappig, en in de TGV van Parijs richting Metz en Thionville is er niemand die er ook maar aan denkt om de uitgestoken hand van Hollande te weigeren.

Maar misschien komt het ook door zijn vage profiel. Niemand weet waar de socialistische kandidaat echt voor staat. Hollande is de grote verzoener, de partijtijger die nooit minister werd maar wel jaren (1997-2008) de partij bijeen hield, en eerst Lionel Jospin (2002) en later zijn toenmalige partner Ségolène Royal (2007) naast het Elysée zag grijpen.

Ambitieus is hij: nadat Martine Aubry hem in 2008 opvolgde als partijleider ging Hollande volop voor het presidentschap. Hij trok het hele land door, vermagerde ruim vijftien kilogram en sprokkelde geld bijeen om campagne te voeren, ook toen zijn kansen, ruim een jaar geleden, nihil bleken. Na de eliminatie van Dominique Strauss-Kahn werd Hollande snel de nieuwe favoriet in de peilingen.

Maar de voorsprong op Sarkozy wordt kleiner, en Hollande wordt verweten een tamme campagne te voeren. Volgens de peilingen verliest Hollande stemmen aan middenkandidaat François Bayrou, aan de linkse populist Jean-Luc Mélenchon, en aan Marine Le Pen, de retorisch sterke voorzitter van het Front National, die in tegenstelling tot haar provocerende vader Jean-Marie geen uitglijders maakt.

Tijdens de voorverkiezingen bij de PS werd Hollande door concurrent Aubry in de hoek gezet als de vertegenwoordiger van ‘la gauche molle’, het weke links waarmee je onmogelijk rechts kan verslaan. Tegenstanders rakelen deze uitspraak met zichtbaar plezier op.

Nu reizen Aubry en Hollande samen naar de Lorraine, de noordoostelijke regio langs de grens met Luxemburg en Duitsland, die hard is getroffen door sluitingen in de staalindustrie. In 2009 droegen hier arbeiders van Arcelor Mittal de beloften van Sarkozy symbolisch ten grave dat de fabrieken altijd open zouden blijven. De grafsteen met de tekst ‘Hier rusten de beloften van N. Sarkozy’ werd onlangs gestolen. „Er moet zeker een nieuwe steen komen. Maar niet met mijn naam erop”, grapt Hollande tegen de staalarbeiders.

Gandrange, amper 2.500 inwoners, wordt iedere dag geconfronteerd met de stilte en de leegte van de staalfabriek van Arcelor Mittal, die vanaf een heuvel een schaduw werpt op het dorp. Hollande noemt Gandrange „de plaats van de niet nagekomen beloften. De plaats van een afwezige industriële politiek, de plaats waar tewerkstelling als prioriteit werd afgeschaft.”

Het bezoek van Hollande aan de misnoegde staalarbeiders is niet zomaar scoren voor open doel, het vergt ook enige moed. Ségolène Royal werd hier enkele maanden terug in haar campagne voor de voorverkiezingen uitgefloten, iets wat Marine Le Pen nog maar zelden overkomt. Het misnoegen en het wantrouwen tegenover de traditionele politiek is voelbaar, zoals het overal in Frankrijk voelbaar is waar mensen hun baan hebben verloren, of dreigen te verliezen. Ze hebben genoeg van de beloften, of die nu van rechts of links komen.

„Wij zijn niet naïef, we weten dat we worden gebruikt in de campagne”, zegt vakbondsman Edouard Martin, bestickerde witte helm op het hoofd. „Maar wij willen geen symbooldossier zijn, wij zijn arbeiders die vrezen voor onze baan.” Martin werkt ook bij Arcelor, in Florange, maar is al vier maanden vrij. De fabriek is wegens gebrek aan werk stilgelegd. Sarkozy hoeft hij niet meer te zien. „Als hij langskomt ga ik met mijn maten voetballen.” Naar Hollande wil hij wel luisteren, al is het soms meer het vuur aan de schenen leggen. Is Hollande bereid voor een wet te stemmen die bedrijven verbiedt een vestiging te sluiten als die rendabel is?

Je ziet Hollande twijfelen. Tien jaar geleden kreeg de socialistische kandidaat Lionel Jospin de vraag wat hij ging doen om de industrie in Frankrijk te behouden. „L’Etat ne peut pas tout”, antwoordde Jospin, de staat kan niet alles. Het kwam niet meer goed. Een socialist hoorde dat niet te zeggen, al zijn er altijd geweest die niet voor het harde ingrijpen zijn, maar voor een meer bescheiden rol van de overheid. Hollande behoort tot die gematigde vleugel. Maar in tijden van kritiek op het ‘rauwe kapitalisme’ is de roep om protectionisme, om een sterke staat weer toegenomen, getuigde de goede score van de linkse antimondialist Arnaud Montebourg bij de voorverkiezingen.

Uiteindelijk antwoordt Hollande dat het voorstel aandacht verdient, dat hij er alles wil aan doen om rendabele bedrijven in Frankrijk open te houden, hen zelfs te helpen bij investeringen, maar dat de vraag is of een wet daarvoor het goede middel is.

Het is duidelijk het soort antwoord dat de staalmannen ontoereikend vinden. Zij hebben meer aan het simpele ja van Mélenchon van de Parti de Gauche of Montebourg. Maar Hollande moet ook de sociaal-democratische vleugel van zijn partij te bedienen, en die vreest dat bij een sluitingsverbod geen enkel groot bedrijf nog durft te investeren in Frankrijk. „We kunnen niet beloven dat alles mogelijk is. We kunnen alleen zeggen dat we er alles aan gaan doen. We moeten Frankrijk weer vertrouwen geven. De woede mag het niet overnemen van de hoop’, zegt Hollande in Gandrange – precies het soort brave boodschap waardoor hij het etiket ‘vaag’ heeft gekregen. Het is een echo van Jospins uitspraak van tien jaar terug.

Toch laat Hollande bij momenten best weten waar hij voor staat. Hij schermt met een arsenaal sleutelwoorden van de moderne politieke manager: innovatie, een generatiecontract (ouderen begeleiden jongeren in bedrijven in ruil voor minder sociale lasten), meer concurrentievermogen. Hij wil banen creëren, samen met de particuliere sector. Hij wil bedrijven sturen via belastingpolitiek: verlaging voor bedrijven die in werk investeren en verhoging voor bedrijven die kiezen voor het dividend voor hun aandeelhouders. En, Europees, hij wil de pensioenleeftijd terugbrengen tot 60, terwijl die net is opgetrokken tot 62.

Vorige maand was Hollande op bezoek bij de Duitse sociaal-democraten. Hand in hand met SPD-voorzitter Sigmar Gabriel beloofde hij dat zijn verkiezing in mei het begin wordt van „een nieuwe cyclus” in Europa, van sociaal-democratische bestuur. Hij wil een nieuw Europees verdrag, meer coördinatie en controle van het begrotingsbeleid, meer euro, eurobonds etc. Heel nieuw en exclusief sociaal-democratisch klonk het niet. Maar bij de geestverwanten in Berlijn was geen staalarbeider te bekennen om hem wantrouwend te bevragen.