Geilheid en schaamte zijn niet langer abstract

Vijf bundels werden genomineerd, met poëzie die varieert van massieve kitsch tot complexe, intieme schaakstellingen. Toch is er voor de VSB Poëzieprijs 2012, die woensdag wordt uitgereikt, maar één gedroomde winnaar

Recensent Poëzie

De jury van de VSB Poëzieprijs deed een verrassende keuze met de nominaties voor de editie van 2012. Behalve Eiland berg gletsjer van Anne Vegter zorgden de andere genomineerde bundels niet voor noemenswaardige opwinding bij verschijning. Maar misschien verdienen Gerichte gedichten van Willem Jan Otten, Ezelskaakbeen van Peter Ghyssaert, Hemelsblauw van Jan Lauwereyns en Dode kamer van Erik Spinoy even goed hun plekje onder de zon.

De jury negeerde onder meer nieuw, goed werk van eerdere winnaars van de prijs: Anneke Brassinga, Esther Jansma en Leo Vroman. En ze koos niet voor het taalplezier bij Elma van Haren, Sylvie Marie, Delphine Lecompte, Maud Vanhauwaert en Lieke Marsman, die elk verdienen gelezen en genomineerd te worden. De recente, imponerende bundels van P.C. Hooftprijswinnaars Eva Gerlach en Tonnus Oosterhoff verschenen na de gepeilde periode: van september 2010 tot en met augustus 2011.

Al na tien bladzijdes in Dode kamer vroeg ik me af of Erik Spinoy soms Pijpelijntjes van Jacob Israël de Haan heeft gelezen? In die klassieke roman uit 1904 bezigt De Haan een overdadig sensitief soort proza, met vele zelf gesmede woordverbindingen tussen kleuren, gevoelens en objecten. Het is een even zintuiglijk als benauwend boek, dat zich grotendeels in een Amsterdamse binnenkamer afspeelt. Spinoy strooit in zijn bundel Dode kamer ook met kleuren en sensitieve indrukken om een broeierige, lome sfeer op te roepen. Bij Spinoy denk je aan een klamme dag in een Midden-Amerikaans land: ‘twaalf stoffige palmen in de witte / hagelwitte regendag’.

Op de eerste bladzijde van Pijpelijntjes schrijft De Haan het zo: ‘….de rolgordijnen hingen vierkant-wit, hard wit voor ’t raam en ’t waterwitte zonlicht spookte soms hevig of was weg ineens, luguber.’ Vijf keer noemt Spinoy wit ‘hagelwit’ en een keer ‘smeltsneeuwwit’. Verder vertelt hij in de zestien gedichten van zijn eerste van drie reeksen in Dode kamer over walnootbruine gitaristen, een zeemansblauwe trui, maisgeel verkeer, een duifgrijs trainingspak, chemisch rode lippen en olijfgroene poncho’s. Niets van het het mooie, rare wit van De Haan. Kleuren mogen niet opvallen bij Spinoy.

Na pagina’s lange vage impressies verrast Spinoy met de aanwezigheid van een vrouw, in kleur: ‘Uit zwart gesneden dat in alle deuren staat / is zij en is zij daar // voor hem alleen.’

De belofte van deze regels wordt niet vervuld. De dichter meldt dat ze is gekomen met het vliegtuig, van overzee, en beschrijft haar: ‘zo vol en glanzend, lila / bloemkroon om de hals en sprekend // met het gezicht alleen terwijl hij praat / en hen daardoor eerst mogelijk maakt.’ Die laatste regel is een dichterlijk cliché. Een relatie wordt mede mogelijk gemaakt doordat een van de twee het woord voert, maar het is ook een ergerlijk sleetse verwijzing naar de dichter die personages tot leven wekt.

Dat een dichter zijn bundel Hemelsblauw noemt, zoals Jan Lauwereyns, doet niet verwachten dat de poëzie minder duf wordt dan bij Spinoy. Maar Lauwereyns toon is behoorlijk uptempo, met tweeregelige strofes en korte regels. In zijn eerste van vijf reeksen, getiteld ‘Parabel voorbij de regenboog’, gaat het van patsboem: ‘Bloedrood lawaai / Hemelsblauw verdriet // Zo ik die jij bent/ Zo jij die mij vormt // De dood, Murnau en het meisje / Else, de regenboog’. Grote geesten en grote emoties worden hier benoemd, indirect wordt gerefereerd aan doodsangst en doodsverlangen. De volgende strofe luidt: ‘Wiskunde maal biologie / Alles en meer willen wij’. De lezer is op de eerste bladzijde.

Door de regel ‘Een aster tussen de tanden geklemd’ wordt duidelijk wie met de herhaaldelijk toegezongen Else wordt bedoeld. De aster is afkomstig uit de bundel Morgue (1912) van dichter-anatoom Gottfried Benn, die een hevige verliefdheid teweegbracht bij Else Lasker-Schüler. Ze schreef schroeiende gedichten aan hem, met grote woorden, in hetzelfde amechtige tempo als Lauwereyns. In de vertaling van Menno Wigman: ‘Achter bomen berg ik me / Tot mijn ogen uitgeregend zijn, // En houd ze stevig dicht / Opdat geen mens je beeld kan zien.’ Zo doorleefd en aangrijpend als zij kermt, zo hol galmt het roestvrijstalen idioom van Lauwereyns: ‘Een zoutzandgolf / Op zwartgalligheid // Ik, hiëroglief / Jij, met de gouden vleugels’. Enzovoort. Het is massieve kitsch zonder een sprankje lucht, waarin de suggestie van ‘hemelsblauw’ louter effect is.

Hoe anders is dat bij Peter Ghyssaert. ‘Men had je slordig afgelegd / onder een hemelsblauwe doek’, begint een gedicht over de dood van zijn vader. Poëzie kan de schoonheid hebben van een complexe schaakstelling waarvan je nooit het dameoffer zult doorgronden, maar poëzie kan ook simpelweg welsprekend zijn en spits, origineel bedacht. Ghyssaert is zo’n dichter van de tweede soort, met lyrische, bewonderenswaardige formuleringen die sterke emoties oproepen. Zijn poëzie heeft een dwingend ritme, verbonden in klank. Hij beschrijft de natuur en zijn huis, ‘waar de platanen hees van stilte in de stapelhitte stonden te verkommeren.’ Er zijn knappe prozastukjes over de dementie van zijn vader, en zijn talent proef je in de kleuren die hij vindt: ‘Duifblauwe, gebeeldhouwde vergetelheid’ – bij een man die altijd las, tot het lot hem trof: ‘Het brandde als papyrus in je hoofd.’

Bij Ghyssaert voer je dat intieme gesprek met de dichter dat poëzie kan zijn, moet zijn, misschien wel. Dus het is een bewuste stijloefening dat Willem Jan Otten zich in Gerichte gedichten zich niet richt tot mij of u, maar tot God. De lezer wordt buitengesloten, maar we kunnen wel spieken wat Otten hem schrijft. Het gaat over hun relatie, over de verbazing en ergernis bij de dichter bij het aanschouwen en overdenken van zijn werken. ‘U toe te geven is geen sinecure’, besluit een gedicht.

Ook Otten komt uit bij blauw als hij in de spannende, centrale cyclus ‘Mankes’ tot een ontmoeting met zijn God komt: ‘u kwam als duister / uit mijn eigen duister / opgeweld en bleek, / zoals u binnen viel, / u bleek gedoopt in blauw’. Tegen een mooi schrijvende dichter kan geen rede op, maar een obstakel is dat ik Ottens levenshouding niet interessant vind. Ik bewonder zijn fijngeslepen retorica en meeslepende toon, maar het is koude bewondering. Hier diept iemand zijn relatie uit met wat in wezen een zinsbegoocheling is, en dat wringt.

Toch zal ik van Otten zeker gedichten herlezen om opnieuw onze onderlinge afstand te meten, zoals ik ook blij ben dat de jury mij de bundel van Ghyssaert onder de neus heeft geduwd. Maar van de genomineerde dichters is er maar één die je alle kleuren van de regenboog laat zien. In Eiland berg gletsjer durf je soms bijna niet te lezen, zo confronterend is de schaamte en onbeschaamdheid, de pijn en de wreedheid. De dichter is openhartig over zaken die we meestal voor onszelf houden – seks, geilheid, verlangen. De toon is rauw, al kan Vegter haar toon en dus de stemmingen snel doen omslaan. Zoals wanneer ze een afscheidsscène op het vliegveld van gewezen geliefden beschrijft: ‘Na je tas hebben we elkaar heart to heart omhelsd, // man ik kon je wel pijpen van plezier. Luister je eigenlijk nog’. Als de man weg is, sluit het gedicht af met: ‘Wil nu godverdomme iemand opstaan en me vasthouden.’ Dat is een patsboem die je echt voelt.

Vegter schrijft moedige, persoonlijke poëzie, die soms met de taal op de loop gaat. De ene keer zijn haar gedichten complexe schaakstellingen, maar de dichter kan ook melig, incoherent of vulgair zijn. Het draagt allemaal bij aan het opwindende, schurende gevoel dat iemand je te dicht nadert. Al die woorden, al die etiketjes die je achteraf bedenkt, van geilheid tot schaamte, zijn niet langer abstract. Ik voel me bekeken. Intiemer kan een gesprek met een boek niet worden.

Vegter is een critics’ darling. Eerder deze maand won ze de Awater Poëzieprijs, toegekend door ‘beroepslezers’, en zo mag je de VSB-juryleden ook betitelen. Otten en Ghyssaert zijn misschien outsiders, maar niemand moet het in zijn hoofd halen om de VSB Poëzieprijs 2012 aan een ander dan Anne Vegter te gunnen.

De uitreiking van de VSB Poëzieprijs 2012 vindt woensdag plaats