Ga heen met een dankbaar hart

Misschien had ik voor het schrijven van dit stukje toestemming moeten vragen aan de PVV-fractie van de Provinciale Staten van Noord-Holland. Ik wil namelijk iets zeggen over Willem Arondéus, en zoals bekend heeft de fractie dat liever niet. Enfin, ik houd het kort en hoop maar dat ik er ongeschonden vanaf kom.

Een paar dagen geleden is de grote choreograaf Rudi van Dantzig gestorven. In de berichten rondom zijn dood bleef wonderlijk onderbelicht dat Van Dantzig ook met succes boeken schreef, waaronder een biografie van de kunstenaar en verzetsstrijder Willem Arondéus.

In 1943 was Arondéus betrokken geweest bij de aanslag op het bevolkingsregister van Amsterdam. De aanslag lukte gedeeltelijk, de daders werden opgepakt. Arondéus werd op 1 juli 1943 door een Duitse legereenheid doodgeschoten in de duinen bij Haarlem.

Het was geen vrolijk leven dat Van Dantzig op schrift stelde. Arondéus kende weliswaar de luxe van de kringen rondom Adriaan Roland Holst, met wie hij bevriend was, maar zelf verkeerde hij vaak financieel aan de rand van de afgrond. Hij was depressief, zijn kunst voldeed niet aan zijn eigen eisen en zijn homoseksualiteit was geen rustig bezit. „Altijd arm, altijd angst, altijd zorg.” Toch eindigt zijn levensverhaal daar in die duinen in majeur: de oorlogssituatie had een beroep gedaan op zijn moed en zijn optimisme.

Vlak voor zijn executie at Arondéus met zijn medegevangenen een door de familie Roland Holst aangeleverde slagroomtaart. In zijn afscheidsbrief schreef hij: „Ik ben zonder eenige haat of bitterheid en zonder eenige vrees. Het leven was goed in alles wat het mij gegeven heeft en ik ga heen met een dankbaar hart.” In de Statenzaal in het Provinciehuis in Haarlem hangen nog altijd negen van zijn wandtapijten.

Het gekke was dat ik een dag voor het overlijden van Van Dantzig een lezing had gehoord van Antje Vollmer, voormalig vicepresident van het Duitse parlement. Ook zij had een boek geschreven. Ook over een verzetsheld. Over Heinrich Graf von Lehndorff namelijk, in 1944 betrokken bij de vermaarde aanslag op Hitler. De aanslag mislukte, Von Lehndorff werd opgepakt en op 4 september opgehangen.

Eigenlijk was er weinig overeenkomst tussen Willem Arondéus en Heinrich von Lehndorff. Maar wat me opviel in de verslagen van hun beider dood was de kalme onverzettelijkheid. Gottliebe, de vrouw van Heinrich, verdween na zijn executie met baby en al in de gevangenis. Ook in haar verhalen achteraf bespeur je geen bitterheid – vooral waardigheid. Het vertrouwen de juiste keuzes te hebben gemaakt.

Zo had ik ondanks al die verhalen over aanslagen en executies toch een vrolijke week, doordat optimisme en slagroomtaart de boventoon voerden. Ik kikkerde helemaal op toen bleek dat Heinrich von Lehndorff weliswaar geen wandkleden had nagelaten, maar wel vier dochters, waarvan de tweede uitgroeide tot het topmodel Veruschka. Van haar vond ik op YouTube een filmpje uit de jaren zeventig: beschilderd als hagedis kroop ze over de Afrikaanse savanne, beschilderd als boomblad hing ze in een boom, vermomd als kei was ze onvindbaar geworden in een veld met stenen.

Maar kennelijk houdt de duivel mij in de gaten. Want net was ik tot de conclusie gekomen dat de mensheid blaakt van goedheid en moed en lust tot spelen, of de duivel deed zich dwingend aan mij voor. Dat gebeurde gisteren, toen ik op een podium in gesprek raakte over een boek van Hella Haasse. De Meester van de Neerdaling heette het – en die meester was natuurlijk niemand anders dan de duivel zelf. Door de mond van Hella Haasse stichtte hij trefzeker verwarring in mijn hoofd over de aard van goed en kwaad.

Want het boek van Haasse ging precies over de verhouding tussen het kwaad en zijn bestrijder, tussen draak en drakendoder. Voortdurend veroorzaakte de schrijver verwarring over de vraag of haar personages het kwaad nou bestreden of juist belichaamden; zag de ene toeschouwer het goede in de mens, dan zag de ander het kwaad, waar de een op de luchtbogen van de kerk engelen naar boven zag klauteren, daar zag de ander duivels nederdalen. Er is, scheen Haasse te suggereren, geen onoverbrugbare afstand tussen de goeden en de kwaden. „De ware heilige is hij, die in een lijf aan lijf gevecht met de draak worstelt.”

Daar ging mijn vrolijke conclusie over een mensheid die louter door goedheid wordt gedreven. Haasse liet me zien dat tussen goed en kwaad een dunne lijn bestaat en dat je jezelf flink in de gaten moet houden. Nou best, ik wil mijn optimisme wel een beetje bijsturen, maar die hagedis en die slagroomtaart pakt niemand me meer af.

Na een paar dagen vol Arondéus, Van Dantzig, Haasse en Veruschka, de dochter van de drakendoder, blijf ik erbij dat de mensheid goed is in dwarrelen over de luchtbogen. Dat danst maar en zingt en speelt en weeft. Dat beschildert zich als boomblad en hangt in een Afrikaanse boom; vermomt zich als steen en ligt in een veld met keien. Hoe heftig de achterliggende morele worstelingen ook mogen zijn, ons dwarrelen is niet te stuiten.