'Door La traviata proef ik nu ook de slagroom'

Robbert van Steijn (47) werkt meestal waar je hem niet ziet: achter de schermen. Bij de Reisopera dirigeert hij nu zelf Verdi’s La traviata. „Muziek maken mag niet gaan over ego’s, het is altijd teamwork.”

De biografie van dirigent Robbert van Steijn (47) is opvallend atypisch. Waar dirigenten tegenwoordig veelal jong ‘pieken’ en iedereen uit is op een flitsende carrière, is het curriculum van Van Steijn meer een ouderwets ambachtstraject van knecht naar gezel naar meester.

„Nou...”, nuanceert hij. „Muziek is altijd een kwestie van teamwork. Je kunt als dirigent vroeg pieken, maar dan loop je ook het risico hard te vallen. Dirigeren is een ervaringsvak, je werkt met mensen. Ik ben iemand die liever rustig de berg beklimt. Door goed om me heen te kijken, zie ik ook meer diepte.”

Van Steijn is een zeer ervaren dirigent. Hij leidde talrijke operettes, concerten en musicalproducties voor Joop van den Ende en was afgelopen zomer assistent bij de veelbesproken productie van Tannhäuser op de prestigieuze Wagner-Festspiele in Bayreuth. Dit najaar assisteerde hij Marc Albrecht bij Orest van Manfred Trojahn bij De Nederlandse Opera, en straks volgt daar Wagners Parsifal door het Koninklijk Concertgebouworkest, als assistent van Iván Fischer.

„Het voortdurend meedraaien in de totstandkoming van producties is ontzettend leerzaam”, zegt Van Steijn. „Je ruikt de soep, je ziet wat iemand erin gooit, je mag soms even roeren en je bent medeverantwoordelijk voor het eindresultaat. Maar natuurlijk, op een gegeven moment wil je zelf ook wel eens de chef zijn.”

Voor Van Steijn is dit een bijzondere maand: Verdi’s La traviata is de eerste productie waarvoor hij, na tien jaar assisteren bij de Nationale Reisopera, zelf eindverantwoordelijk is. „Het voelt eigenlijk niet eens zo anders. Als assistent doe je óók alles voor een zo goed mogelijke voorstelling. Alleen nu heb ik de slagroom: de voorstellingen en het applaus.

„Bij Verdi intrigeert me de dramatische functie van het orkest. Je hoort dat de manier waarop het orkest is ingezet, wortelt in de begeleidende traditie. Maar hier is het meer. Elke noot heeft een functie en het orkest moet reageren op de spanning die van het toneel komt. Als je een wisselwerking tussen toneel en orkest kunt creëren – dan gaat de opera leven. Daar heb ik uitgesproken ideeën over. Maar dat is persoonlijk, hoor.”

Is het als dirigent niet contraproductief te werken vanuit een zodanig zelfrelativerende houding? Hoe kom je af van het stempel ‘perfecte assistent’ en sla je zelf je vleugels uit?

„Karakter en timing spelen beide een grote rol”, denkt Van Steijn. „En een dosis geluk. Wanneer je als jong dirigent succesvol invalt voor een zieke chef-dirigent, kan de bal soms opeens snel rollen. Zie Bernstein, zie Lawrence Renes. Maar soms gebeurt dat ook niet. Iedereen moet zijn eigen weg vinden. Ik denk niet carrièretechnisch. Toen het Concertgebouworkest me eens vroeg om in te vallen voor de celestaspeler, zei ik nee. Omdat ik die avond moest spelen in een bejaardenhuis. Niet slim misschien, maar de ene klus voor de andere opzeggen – zo ben ik niet. En waarom zou je de dingen forceren?”

Van Steijn vindt het geen probleem straks weer de tweede man te zijn, zegt hij. ,,Maar ik hoop natuurlijk wel dat men mijn Traviata mooi vindt en dat ik elders word gevraagd opnieuw zelfstandig een opera te dirigeren. Waar mogelijk in verschillende huizen. In die zin is elke voorstelling een open sollicitatie.”

En zijn leeftijd? Hij lacht erom. „De grootste dirigenten bloeien op late leeftijd. Ik ben een vreemde eend in de bijt, maar er zijn er genoeg die een eigen traject doorlopen. Neem Jaap van Zweden. Die heeft als concertmeester de grootste dirigenten aan het werk gezien, en toen in de luwte het vak geleerd. Nu bloeit hij.”