'De vijf procent hoogste inkomens betaalt tweederde van alle belastinginkomsten'

wilmer Heck

De aanleiding

In De wereld draait door van woensdag 18 januari raakte journalist Jort Kelder in debat met Jan Marijnissen. De voormalig SP-leider bepleitte hogere belastingen voor topinkomens; Kelder was tegen. Om de onzin van zo’n hoger tarief te onderstrepen, stelde hij: ,,De 5 procent hoogste inkomens in Nederland betaalt tweederde van alle belastinginkomsten. Einde discussie.”

Mogelijke interpretaties

De Belastingdienst maakt een onderscheid tussen directe en indirecte belastingen. Tot de directe belastingen behoren de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting. Indirecte belastingen zijn onder meer de omzetbelasting (btw), accijnzen en milieubelastingen. Zowel de Belastingdienst als het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) deelt inkomensgroepen op in groepen van tien procent. Beide spreken daarom niet van de 5 procent hoogste inkomens, maar van de 10 procent hoogste inkomens. Bij onderzoek naar de verdeling van de collectieve lasten kijkt het CBS niet alleen naar de rijksbelastingen, maar ook naar de premies en lokale belastingen. Kelder zei „alle belastinginkomsten”, maar wellicht bedoelde hij ‘alle inkomstenbelasting’. Navraag bij Kelder was tevergeefs.

En, klopt het?

Stel dat Kelder inderdaad ‘inkomstenbelasting’ bedoelde. Klopt zijn bewering dan? Nee, zo blijkt uit CBS-gegevens. De 10 procent huishoudens met de hoogste inkomens betaalt 52 procent van de totale inkomstenbelasting. Aparte cijfers voor de 5 procent hoogste inkomens zijn er niet, maar die bijdrage ligt vanzelfsprekend lager dan 52 procent. Als je naar personen kijkt, blijkt dat de 10 procent met de hoogste inkomens 70 procent van de inkomstenbelasting betaalt. Ook dan zou de 5 procent nooit tweederde bijdragen.

Als Kelder wel „alle belastinginkomsten” bedoelde, zoals hij zei, dan is zijn bewering nog verder bezijden de waarheid. De inkomstenbelasting maakt namelijk minder dan de helft uit van de totale belastingopbrengst. De rest komt uit onder andere de vennootschapsbelasting en vooral btw en accijnzen. Zijn stelling zou dan alleen nog kunnen kloppen als de 5 procent hoogste inkomens daar een onevenredig groot deel van betaalt, maar dat is niet het geval. Over de verdeling van deze indirecte belastingen over de verschillende groepen bestaan overigens geen exacte cijfers. Dat komt omdat niet bekend is wie welke producten koopt – en dus ook niet hoeveel iedere groep aan btw en accijnzen betaalt. Door het ontbreken hiervan is een claim zoals die van Kelder sowieso niet te maken. Toch valt er op basis van een CBS-steekproef wel een schatting te maken. In een recent nummer van economische vakblad ESB schreef Flip de Kam, oud-Kamerlid voor de PvdA en emeritus hoogleraar economie, samen met CBS-onderzoeker Rens Trimp een artikel over de verdeling van de collectieve lasten. Zij baseren zich op het CBS-budgetonderzoek uit 2009. Daarin werd 1.500 huishoudens gevraagd naar al hun uitgaven in een halve maand en 6.000 huishoudens naar hun uitgaven van twintig euro en meer gedurende drie maanden. Op basis hiervan is berekend dat de 10 procent huishoudens met de hoogste inkomens in 2009 22.5 miljard aan inkomstenbelasting betaalde en 6.6 miljard aan indirecte belastingen. Alle huishoudens samen betaalden 85 miljard euro aan belastingen. Hieruit volgt dat de 10 procent hoogtste inkomens 34,2 procent van alle belastingen betaalde. Ook hier is de bijdrage van de hoogste 5 procent inkomens niet te geven, maar die ligt waarschijnlijk op ruim de helft, zo’n 20 procent. Dat is flink minder dan de tweederde van Kelder.

In deze berekening zijn de erfbelasting en overdrachtsbelasting vanwege een gebrek aan gegevens niet meegeteld. Omdat die samen maximaal 5 miljard euro per jaar opbrengen, zal het verschil echter niet substantieel zijn.

In hun onderzoek keken Trimp en De Kam ook naar de premies voor volksverzekeringen en sociale zekerheid. Boven een bepaalde inkomensgrens lopen die niet meer op. Ze drukken daarom relatief zwaarder op de lagere inkomens. Ze concludeerden dat de tien procent hoogste inkomens 27,3 procent bijdragen aan alle directe en indirecte belastingen samen met de premies meegerekend. In tegenstelling tot alleen de inkomstenbelasting, draagt het gehele stelsel dan ook nauwelijks bij aan de herverdeling van inkomens. Lagere inkomens zijn in Nederland een even groot deel van hun inkomen kwijt aan collectieve lasten als de hogere inkomens. In die zin is er al sprake van een vlaktaks (hetzelfde belastingtarief voor iedereen).

De conclusie

Maximaal 70 procent van de totale inkomstenbelasting wordt betaald door de 10 procent hoogste inkomens - en niet de 5 procent hoogste inkomens, zoals Kelder stelde. Bovendien sprak hij over „alle belastinginkomsten”. Hoe die zijn verdeeld over de inkomensgroepen is niet exact vast te stellen. Maar op basis van het CBS-budgetonderzoek kan worden geschat dat de 5 procent hoogste inkomens zo’n 20 procent bijdraagt aan alle belastinginkomsten. Dat is aanzienlijk minder dan tweederde, oftewel 66 procent. Op grond daarvan beoordelen wij de bewering „De 5 procent hoogste inkomens in Nederland betaalt tweederde van alle belastinginkomsten” als onwaar.