Waanzin en dolgedraaide wetenschap

Aflevering 21: over het expressionisme en ‘Metropolis’ van Fritz Lang.

Kunst is geen wedstrijd, en dus moet je oppassen met vergelijken. De vraag ‘Wat is het invloedrijkste product van het expressionisme’ is misschien even ongepast als moeilijk te beantwoorden. Is het de ontregelende muziek van Arnold Schönberg en de ‘Weense School’? De hoekige en felkleurige kunst van schilders als Ernst Ludwig Kirchner en Edvard Munch? De wilde, experimentele poëzie van Gottfried Benn of Paul van Ostaijen? De Ausdruck-dans van Mary Wigman en Kurt Jooss? Of toch de onheilszwangere films die Duitse regisseurs als Paul Wegener en G.W. Pabst maakten tussen de Eerste Wereldoorlog en de machtsovername door de nazi’s – roerige jaren, gekenmerkt door oorlog, politieke instabiliteit, straatgevechten, hyperinflatie, culturele bloei en economische crisis?

Voor het laatste is veel te zeggen. De invloed van de expressionistische cinema op de filmgeschiedenis en daarmee op de populaire cultuur, kan nauwelijks overschat worden. Twee van de vitaalste moderne genres, sciencefiction en horror, spelen nog steeds leentjebuur bij de pessimistische thema’s (waanzin, doodsangst, dolgedraaide wetenschap) en de fantasierijke art direction van het Duitse expressionisme – kijk maar naar Star Wars of naar de vele Frankenstein- en Draculaverfilmingen. De film noir, die in de jaren veertig en vijftig de Engelse en Amerikaanse filmindustrie veroverde, was een realistische variant van de zwaar beschaduwde zwijgende film uit de jaren twintig. Alfred Hitchcock (die ervaring opdeed bij de Berlijnse UFA-studio), Woody Allen, Tim Burton en Lars von Trier brachten hommages aan films als M - eine Stadt sucht einen Mörder (Fritz Lang, 1931) en Nosferatu (F.W. Murnau, 1922). Wat zou de avonturen- en spionagefilm zijn zonder de mad scientist die zich in 1920 in het collectieve geheugen etste met Das Kabinett des Doktor Caligari van Robert Wiene. En wat moesten de makers van zwartgallige toekomstfilms zonder Metropolis, de baanbrekende anti-utopie van Fritz Lang die op 10 januari 1927 in Berlijn en Frankfurt in première ging?

Metropolis is een film van superlatieven: 500 kilometer film, 36 duizend figuranten, 200 duizend kostuums en meer dan 5 miljoen Reichsmarken waren nodig voor het vervaardigen van deze monsterproductie. De zwijgende film duurde maar liefst 153 minuten (althans voordat hij – met harde hand ingekort – werd geëxporteerd naar de rest van Europa en Amerika), wat maar nét genoeg was voor de ingewikkelde plot, waarin helse machines en robotdubbelgangers een belangrijke rol spelen. Het scenario van Lang en zijn vrouw Thea von Harbou vertelt het dubbelverhaal van de klassenstrijd in een futuristische onder- en bovenstad en de liefde tussen een jongen uit de elite en een meisje dat haar lot heeft verbonden aan het welzijn van de arbeiders. Een au fond romantische plot met bijbelse verwijzingen en een verzoenende moraal, die luidt dat hoofd en handen moeten samenwerken en dat het hart de bemiddelaar is.

©

Toch is het niet de inhoud die Metropolis tot een van de grootste films aller tijden heeft gemaakt. Het is de vorm. De decors met wolkenkrabbers, hoge viaducten en gescheiden verkeersstromen zijn vaste kenmerken geworden van de verbeelding van de ultramoderne Grossstadt; de massascènes in de ‘onderwereld’ zijn het schrikbeeld in iedere technologische dystopie; en de gestroomlijnde inrichting van het laboratorium van de kwade genius in de film zie je terug in alle films waarin een krankzinnige geleerde de wereld probeert te vernietigen.

Over wereldvernietigers gesproken: tot de grootste fans van Metropolis behoorden de nationaal-socialisten, die zes jaar na de première hun eigen utopie zouden gaan verwezenlijken, inclusief onderdrukte Untermenschen, megalomane architectuur en massamanipulatie. ‘Dit is de man die onze films gaat maken’, zou Adolf Hitler hebben uitgeroepen toen hij het meesterwerk van zijn landgenoot zag, maar dat was te snel gedacht. Fritz Lang maakte in 1933 Dr Mabuse, der Spieler, waarin een pathologische misdadiger allerlei naziteksten in de mond neemt, en vluchtte na een onderhoud met Joseph Goebbels via Parijs naar Hollywood. De twijfelachtige eer om nazifilms te maken ging uiteindelijk naar Leni Riefenstahl, wier propagandafilm Triumph des Willens (1935) zwaar leunde op de beeldtaal die door Lang was ontwikkeld. Overigens zijn er ook onschuldiger beïnvloedingen: regisseur Ridley Scott maakte met Blade Runner een update van Metropolis, de popgroep Queen verwerkte fragmenten uit de film in de videoclip bij de hit ‘Radio Ga Ga’, en Madonna varieerde op de art direction in haar clip bij ‘Express Yourself’.

Bij een overzichtstentoonstelling in Darmstadt, anderhalf jaar geleden, werd het expressionisme getoond als een stroming die vóór alles streefde naar Gesamtkunstwerke, alomvattende kunstproducties waarin verschillende disciplines samenkwamen. Metropolis is daar een perfect voorbeeld van: een film met Wagneriaanse muziek waarin architectuur en design, dans en beeldende kunst met elkaar verenigd werden; daarbij een kunstwerk dat zijn tijd ver vooruit was. Behalve de nazi’s waren er aanvankelijk niet zo heel veel bewonderaars; zo noemde de criticus van de New York Times de film een ‘technisch wonder op lemen voeten’, terwijl H.G. Wells (zelf een niet onverdienstelijk science-fictionauteur) repte van ‘stompzinnigheid, clichés en platitudes’. Pas na de Tweede Wereldoorlog onderkende men het belang en de kwaliteit van de film, en vooral de blijvende actualiteit van Langs inktzwarte visie op de toekomst. Bij de première van de gerestaureerde versie, op de Berlinale van 2010, karakteriseerde een recensent het uitgangspunt van het verhaal als ‘hyperkapitalisme op de drempel van revolutie’. Kortom: Occupy Metropolis!