Roadtrip voor de ogen

Al een leven lang probeert de Britse kunstenaar David Hockney de ervaring van beweging en ruimte te vangen in schilderijen, films, fotocollages, iPad-tekeningen. Ze zijn nu te zien in Londen. „Ik besef dat ik steeds meer zie.”

Fervente automobilisten moeten het gevoel herkennen dat David Hockney schilderde in zijn werk Garrowby Hill uit 1998. Slingerend heb je de tweebaansweg naar boven gevolgd, haarspeldbocht na haarspeldbocht, tot de top van de heuvel. Je draait met de bocht mee naar rechts, de auto helt alweer wat naar beneden, en dit is wat je voor je ziet. Beneden ligt een eindeloze vlakte van akkers en weilanden, door lage heggetjes gescheiden. De weg kronkelt er als een meanderend riviertje doorheen, tot hij in de verte oplost. Nu nog heb je dat overzicht, maar rijd je verder, dan verdwijn je zelf de diepte in. Dan schuilt er achter iedere bocht weer een nieuw uitzicht.

Hoe kun je die ervaring van beweging en ruimte, van het rijden door een heuvellandschap met al zijn verschillende gezichtspunten, vangen in één beeld? Dat is de vraag die de Britse kunstenaar David Hockney (Bradford, 1937) al zijn hele leven bezighoudt. Op zijn tentoonstelling A Bigger Picture, sinds deze week in de Royal Academy of Arts in Londen, is goed te zien hoe Hockney dit probleem al vanaf het begin van zijn carrière probeert te tackelen – in zijn vroege schilderijen uit de jaren zestig, in zijn fotocollages uit de jaren tachtig, maar ook in zijn recente digitale films en zijn iPad-tekeningen.

Liefhebbers van Hockney’s zonnige Californische zwembadschilderijen of zijn meesterlijke portretten zullen teleurgesteld zijn – A Bigger Picture is nadrukkelijk géén overzichtstentoonstelling. Deze expositie richt zich puur op de verbeelding van het landschap. Op de spectaculaire vergezichten van het Amerikaanse westen, waar Hockney vier decennia gewoond heeft. Maar vooral ook op de karrensporen en bospaadjes van zijn geboortestreek Yorkshire, waar de 74-jarige kunstenaar sinds een jaar of zes weer is neergestreken en die hem geïnspireerd heeft tot een overweldigende output aan aquarellen, schilderijen en tekeningen.

Het gevoel van reizen

Een van de vroegste schilderijen op de tentoonstelling is Flight into Italy – Swiss Landscape uit 1962, gemaakt toen Hockney net was afgestudeerd aan de Royal Academy. We zien de kunstenaar zitten in een bestelbusje, terwijl hij met een verbeten grimas door de Zwitserse Alpen scheurt. Het gevoel van snelheid is nog wat knullig weergegeven, met vegen verf die wapperende kleding suggereren, en met de woorden ‘that’s Switzerland that was’ die uit de uitlaat lijken te knallen.

Maar de toon is direct gezet: verwacht van Hockney geen fotorealistische weergave van het landschap. Zijn Swiss Landscape is meer herinnering dan snapshot. Het gevoel van reizen, dat is wat hij hier tot uitdrukking wil brengen.

Ertegenover hangt – helaas als reproductie – het schilderij Mulholland Drive: The Road to the Studio uit 1980, waarop Hockney zijn dagelijkse gang van zijn huis in de Hollywood Hills naar zijn atelier op Santa Monica Boulevard in kaart heeft gebracht. Het is een voorstelling van ruim zes meter lengte die je kunt lezen terwijl je erlangs loopt. Je blik glijdt mee met de bochten, langs tennisbanen en villa’s, moestuinen en elektriciteitsmasten – alsof je met de kunstenaar meelift in zijn vuurrode Mercedes cabrio. Een roadtrip voor je ogen.

Het schilderen van een landschap met een enkel perspectivisch verdwijnpunt, zoals in de westerse kunstgeschiedenis sinds de Renaissance gebruikelijk, heeft Hockney nooit echt aangesproken. Hij keek liever naar de vroege Chinese schilderkunst, waarin landschappen en stadsgezichten over lange rollen textiel werden uitgesmeerd, zonder schaduwen en zonder statisch perspectief. En net als zijn grote held Picasso schilderde Hockney zijn omgeving het liefst vanuit steeds verspringende gezichtspunten, omdat dat volgens hem de werkelijkheid het dichtst benaderde.

Precies om die reden was Hockney altijd sceptisch over de mogelijkheden van het medium fotografie. Want een camera kijkt geometrisch, aldus Hockney, die ziet geen diepte. Een foto maakt alles plat, en kan nooit de verschillende kijkbewegingen vastleggen die je als mens maakt bij het overzien van bijvoorbeeld een landschap. Daarom begon de kunstenaar in de jaren tachtig te experimenten met fotocollages, opgebouwd uit honderden aan elkaar gelaste kiekjes. In Londen hangen daarvan enkele prachtige voorbeelden, waaronder Pearblossom Highway uit 1986.

Twee volle dagen had Hockney nodig om op dit kruispunt in de Californische woestijn zijn rolletjes vol te schieten. Hij zoomde in op de bierblikjes in de berm, op de verkeersborden, een voorbijrazende auto, de wolkenloze lucht. En eenmaal als een legpuzzel in elkaar gezet, bleek Hockney’s theorie te werken. Er ontstond een beeld dat daadwerkelijk diepte had. Ook nu weer, in de Royal Academy, word je als toeschouwer direct de voorstelling ingetrokken. Je ogen schieten langs al die verschillende fragmenten en maken er als vanzelf een ruimtelijk beeld van. En even is het alsof je daar zelf staat, langs die stoffige eenzame highway.

Stervende vriend

Het waren persoonlijke omstandigheden die Hockney in 1997 weer terugbrachten naar Yorkshire en naar de schilderkunst. Een dierbare vriend was stervende en gedurende enkele maanden legde de kunstenaar meerdere keren per week de route af van zijn ouderlijk huis in Bridlington naar het ziekbed in York, een autorit van ongeveer drie kwartier. Na de begrafenis, en weer terug in Los Angeles, begon Hockney de herinnering aan die autoritten door Oost-Yorkshire te schilderen. Zo ontstond de reeks van zes schilderijen waar Garrowby Hill er een van is.

Zoals ze nu bij elkaar hangen, herinnert niets nog aan de tragische aanleiding. Feestelijke schilderijen zijn het, die het leven lijken te vieren. Bakstenen huisjes lichten vuurrood op in het avondlicht. Trekkersporen draaien met zwierige krullen met de glooiende akkers mee. Hockneys naïeve handschrift doet hier soms denken aan dat van Van Gogh, zijn felle kleurgebruik aan dat van Matisse. En het perspectief mag op geen van de schilderijen kloppen, het gevoel klopt wel – zo vrij als een vogel scheer je als kijker over dat weidse landschap heen. Dat komt ook doordat Hockney op geen van de doeken ruimte overlaat voor de lucht, de horizon ligt steeds strak tegen de bovenrand van de schilderijen aan. „Want”, zegt Hockney, „als je rijdt, let je op de weg, niet op de wolken.”

In 2006 besluit Hockney zich voorgoed in Bridlington te vestigen – een beslissing die een ongekend productieve periode inleidt. Zeker driekwart van de tentoonstelling bestaat uit werken uit de afgelopen vijf jaar. Nog altijd trekt Hockney er vrijwel dagelijks in alle vroegte op uit, door weer en wind, om de uitlopende wilgentakken te schilderen, of het verkleuren van de herfstbladeren. Dat doet hij – heel traditioneel – zoals de impressionisten dat ruim een eeuw geleden ook al deden: en plein air, met een ezel in de berm. Zo heeft hij in de afgelopen jaren ieder landweggetje en ieder bomenrijtje in zijn omgeving vastgelegd, lijkt het.

Niet al die schilderijen zijn het waard om lang naar te kijken – er zitten eerlijk gezegd nogal wat doodgewone, vluchtige, Bob Ross-achtige landschapjes tussen. Maar door de veelheid en de schaal van de werken word je op deze tentoonstelling uiteindelijk toch van je sokken geblazen. Om de grandeur van de Woldgate Woods vast te kunnen leggen, bijvoorbeeld, hakte Hockney zijn doeken op in zes behapbare stukken van elk ruim 90 bij 120 centimeter, zodat hij ze mee kon nemen in zijn Jeep. Eenmaal thuis voegde hij die delen – net als vroeger bij de fotocollages – als puzzelstukken samen. En nu, in de Royal Academy, word je door die metershoge bomen omringd, in een zaal die veel wegheeft van een boswandeling.

De wisselingen van de seizoenen, die Hockney tijdens zijn jaren in Los Angeles node gemist zal hebben, kent hij intussen als een boer zo goed. Hij weet wanneer het fluitenkruid met centimeters omhoog schiet en de meidoorn gaat bloeien, een periode die hij ‘action week’ noemt. „Van de ene op de andere dag is het alsof er een dikke witte crème over alles heen gegoten is”, zegt hij daarover in een zaaltekst. „Maar één flinke regenbui en het is weg.” In de zaal die Hockney aan deze actieweek wijdde, is de bloesemgeur haast te ruiken, zo mierzoet en over the top zijn deze doeken. Hockney heeft er een Alice-in-Wonderland-achtige wereld van gemaakt, vol grijpgrage roze schaduwen en vibrerende Van Gogh-luchten.

Katjes uit de boomtakken

Voor de grootste zaal van de Royal Academy maakte Hockney een installatie die in zijn geheel gewijd is aan de komst van de lente. The arrival of Spring in Woldgate, East Yorkshire in 2011, een werk van in totaal 51 uitgeprinte iPad-tekeningen en één monumentaal schilderij, begint op 1 januari en eindigt op 2 juni. „Want om de veranderingen in de lente te waarderen, moet je eerst de winter tonen”, vindt Hockney. Wegens de kou maakte de kunstenaar de eerste schetsen in de auto, op zijn iPad. Maar het resultaat beviel hem, dus bleef hij tekenen op dat handige beeldschermpje, ook toen op 5 maart de sneeuwklokjes hun intrede deden en op 14 april de katjes uit de boomtakken schoten.

Deze zaal is de apotheose van de tentoonstelling, een feest van kleur en techniek. Niks grijs en grauw Noord-Engels landschap – op Hockney’s iPad ziet Yorkshire eruit als een zonnige oase. Het medium blijkt bij uitstek geschikt voor Hockney’s grafische talent. Virtuoos krast hij er besneeuwde paden mee op het scherm, of stippelt hij het beeld vol jonge blaadjes die als glinsterende kralengordijnen tussen de bomen hangen. Sterker, dankzij de iPad heeft de kunstenaar zich op 74-jarige leeftijd wederom opnieuw uitgevonden.

Op zijn oude dag is Hockney erachter gekomen dat er maar één manier is om het weidse landschap van Yorkshire goed in beeld te brengen, en dat is door zelf in dat weidse land te gaan staan en te gaan kijken. Daarmee plaatst hij zichzelf in de traditie van schilders als Constable, die vrijwel zijn hele leven in Suffolk werkte, of van Monet, die eindeloos kon genieten van zijn tuin in Giverny. „Ik kijk nu al een aantal jaren dag in dag uit naar ditzelfde landschap”, zei Hockney onlangs in een interview. „En ik besef dat ik steeds meer zie. Mijn herinnering begint mee te spelen met het kijken. Ik schilder de zomer met de winter in mijn achterhoofd. Ik weet hoe de structuur van die boom er zonder bladeren uitziet.” Hij weet het nu zeker: „Je kunt geen landschap schilderen als je er niet eerst lange tijd hebt gebivakkeerd.”

David Hockney: A Bigger Picture. T/m 9 april in de Royal Academy of Arts, Londen. Daarna te zien in het Guggenheim Museum in Bilbao (14 mei t/m 30 sept) en Museum Ludwig in Keulen (29 okt t/m 4 febr 2013). Meer inlichtingen: www.royalacademy.org.