Ritz adieu

De verbouwing van het Ritz hotel in Parijs markeert het einde van een tijdperk. Vaarwel sleetse obers, hallo nouveau riche-paleizen.

Oké, het is waar, de pakken van de obers glimmen en zijn sleets, de tapijten tot op de draad toe versleten, de gordijnen verschoten en de koffie haalt het niet bij die van Starbucks. Maar daar gaat het niet om: het is immers het Ritz, het beroemdste hotel ter wereld, het hotel naar welk voorbeeld zowat alle andere beroemde hotels ter wereld zijn nagebootst. Je kunt zonder overdrijving stellen dat César Ritz met de opening van zijn Parijse hotel in 1898 de norm stelde van hoe een chic hotel eruit moest zien. Het is het enige hotel waarbij ik nadenk over wat ik aantrek, een keurige broek, een net jasje, glimmend gepoetste schoenen. Alsof je op bezoek gaat bij een statige tante. Want het Ritz is speciaal, het heeft iets paleizerigs, iets je ne sais quoi wat alle andere hotels ontberen.

En nu gaat het dicht. Niet voorgoed. Maar tegelijkertijd toch ook weer wel voorgoed. Want na de ruim twee jaar durende, 150 miljoen euro kostende verbouwing zal het Ritz het Ritz niet meer zijn. De vergulde zwanenkranen zullen nooit meer zo vervaarlijk trillen en sputteren als die keer toen ik ze niet meer durfde te gebruiken uit angst dat ze los zouden schieten. En ik zal nooit meer alle kracht nodig hebben om de zware damasten gordijnen over de ietwat verroeste stangen open te trekken, want dat zal straks ongetwijfeld elektrisch gaan, door een druk op de knop naast het bed. Dit oudgeldbastion zonder weerga zal een glimmend nouveau-richepaleis worden.

Heel wat – zo niet alle – legendarische hotels zijn het Ritz de laatste jaren voorgegaan: Savoy, Claridge’s en Dorchester in Londen, Plaza, Carlyle en the Pierre in New York, La Mamounia in Marrakech, Adlon in Berlijn, Pera Palas in Istanbul, Bel-Air in Los Angeles, Peninsula in Hongkong, Grand Hotel du Cap Eden-Roc in Cap d’Antibes, Dolder in Zürich, Fontainebleau in Miami Beach, Taj Mahal Palace in Mumbai en – vooruit – Des Indes in Den Haag en l’Europe in Amsterdam. En dan zijn er nog die in Ritz’ eigen stad Parijs: George V, Bristol en Meurice die al verbouwd zijn en Crillon en Plaza Athénée die dit jaar eenzelfde lot als dat van het Ritz zullen ondergaan. Het trieste is dat ze allemaal tijdens de verbouwing hun ziel hebben verloren. Natuurlijk, ze zijn extreem luxueus geworden, luxueuzer dan ooit, met mega-flatscreens die automatisch uit het bedmeubel omhoogkomen, badkuipen die binnen tien seconde vollopen en privébutlers in trendy designer outfits die knipmessen als nooit tevoren. Maar ze zijn hun karakter verloren, hun persoonlijkheid, hun status aparte. Ze zijn nu inwisselbaar, met eenzelfde goud glimmend patina en dezelfde moderne namaak chique Lodewijk de Zoveelste meubels met een hint van Philippe Starck.

Ernest Hemingway

Niemand zal ooit meer de nieuwe lichting hotels vergelijken met de hemel, zoals Ernest Hemingway deed met zijn innig geliefde Ritz („My dream of heaven always takes place in the Ritz”). Niemand zal meer de lofzang zingen over het Bel-Air in Los Angeles, zoals Tony Curtis deed: „Als het kon zou ik met het Bel-Air trouwen. Ze is de beste vrouw die je je kunt voorstellen; ze vraagt niet waar ik vannacht ben geweest, ze vindt het niet erg als ik een vriendin mee naar de kamer neem, ze maakt elke dag mijn bed op, wast mijn kleren en legt die met een strik eromheen in de kast.”

Je kunt er nostalgisch over door mijmeren, feit is dat de hotels geen keus hebben. Ze moeten wel mee in de vaart der volkeren. De luxueuze reiziger eist het modernste comfort en de concurrentie is moordend. Alleen al in Parijs openen in korte tijd vier ultra luxueuze nieuwe hotels, het Peninsula, het Mandarin Oriental, Shangri-La (in een oud stadspaleis van de neef van Napoleon) en Cheval Blanc (in het voormalige warenhuis Samaritaine), hotels waar de oude garde eenvoudig niet tegenop kan. Met nostalgie alleen red je het niet meer.

Maar het moet gezegd: Mohammed Al-Fayed, sinds 1979 eigenaar van het Ritz, heeft de renovatie zo lang mogelijk uitgesteld. Hij was bang de magie van het hotel te verbreken. Maar steeds minder mensen bleken bereid te zijn 900 euro te betalen voor de meest eenvoudige kamer (met die lekkende zwanenkraan) en steeds meer gasten verkasten naar het hard glimmende George V of het door Philippe Starck onder handen genomen Meurice.

En vorig jaar kwam de grote klap die Al-Fayed definitief over de streep trok. Voor het eerst kende de overkoepelende Franse hotelfederatie in 2011 het predicaat Palace uit aan ’s lands meest illustere hotels. Hotels die, volgens de criteria (in typisch Franse lyriek), „de gast in hogere sferen brengen, in die van droom en fantasie, waar koningen en keizers de gast voorgingen en de geschiedenis in alle hoeken doorklinkt”.

Het Ritz kreeg het predicaat niet. Opgepoetste hotels als Meurice, Bristol, Plaza-Athénée en George V wel. De afwijzing voelde als een grove belediging, als ultieme afgang. Maar het maakte ook duidelijk dat er stante pede actie moest worden ondernomen. Afglijden naar een lagere sterrenstatus, waarbij kamer-prijzen drastisch verlaagd zouden moeten worden, was geen optie. Het Ritz moest en zou weer nummer één worden. Dan maar noodgedwongen de nummer één van de nieuwe garde.

Sprankje hoop

Het laatste sprankje hoop dat het Ritz ongeschonden uit de verbouwing zou komen, is de kop ingedrukt met de bekendmaking van de uitvoerder van de renovatie: Thierry W. Despont. Deze huisarchitect van ’s werelds rijkelui (Bill Gates, Ralph Lauren, Calvin Klein) is juist degene die al heel wat grand old hotels van een onderling inwisselbaar glimmend imago heeft voorzien: Claridge’s, Carlyle, Crillon, Dorchester, Principe di Savoia. Het is duidelijk dat de sluiting van het Ritz deze zomer het einde van een tijdperk markeert. Niet alleen van de illustere hotels, maar ook van de sleetse obers. 470 van de 500 personeelsleden van het Ritz zijn ontslagen en worden vervangen door frisse jongelui met wit glimmende gebitten in strakke designeroutfits.

Van de vermaarde grand old hotels is er eigenlijk nog maar één over: het Amstel Hotel in Amsterdam, anno 1867. Ruim twintig jaar geleden is daar voor het laatst een timmerman langsgekomen (het geld voor de verbouwing kwam van de hotelketen Inter-Continental die het hotel toen inlijfde), en nu is het daar een kwestie van extra tafeltjes neerzetten op de sleetse plekken van de pers en grote plantenbakken verschuiven om de scheuren in het behang te camoufleren, zoals ik vorig jaar het kamermeisje zag doen in een van de Executive Suites. Dat heeft toch wel wat, moet ik zeggen.