Column

Reddingsboot

Hij zit in het verpleeghuis te zwijgen. Zijn door de bezuinigingen doordrenkte pamper houdt hem op zijn plek. Twee jaar geleden is het verval begonnen. Na de dood van zijn geliefde ging het mis. Met haar had hij nog een mooie cruise door de Middellandse Zee gemaakt. Op zo’n schip met een paar zwembaden, een stuk of wat restaurants, een fitnessruimte, een zonnedek en een casino om het laatste spaargeld kwijt te raken. Het kon niet romantischer. Daar hadden ze ’s avonds bij de ondergaande zon nog tegen elkaar gefluisterd: „Wat zou het mooi zijn als de boot nu verging!” Zonder tanden klonken deze woorden nog mooier dan met gebit. Dat gebit hing geduldig in een glaasje op de wasbak. Had ook even vakantie.

Ze schuifelden na het eten naar hun hut. Langs de reddingsboten. Daar dachten ze onafhankelijk van elkaar: ze zouden die reddingssloepen onklaar moeten maken. Wij willen niet meer gered worden.

Er dolen honderden van dit soort boten over de wereld. Er speelt een orkestje, er is een goochelaar, een illusionist, een zangeres en er is een goed bevolkte bar. De barman shaket zich een tennisarm om het de oudjes naar de zin te maken. Die laven zich nog een keer aan de sterke verhalen, zowel die van de ander als van henzelf, en ze denken allemaal: het schip mag wel zinken. Als de barman na de laatste ronde roept dat het hoogste tijd is, dan murmelen ze massaal: „Dat weten we zelf ook wel!”

Vrijdag de dertiende was een mooie dag om op volle zee te zitten. De kans dat er die dag iets ging gebeuren, was nou eenmaal groter. Nee, niet statistisch, dat wisten de oudjes ook wel, maar het domme bijgeloof is soms ook belangrijk.

Hun gevoel was gunstig. Ze zagen de kapitein de laatste dagen vaak aangeschoten in het gezelschap van een Moldavische snol van een jaar of 26. Dus die kon op zijn leeftijd gemakkelijk zijn bronstige hoofd verliezen. Steeds als ze hem zagen lopen, boden ze hem voor de zekerheid een drankje aan. Hij weigerde nooit en hing aan de bar graag de toffe peer uit.

Vorige week woensdag ging hij tijdens het happy hour op de bar staan en vertelde dat hij gek was op die ene ober en dat die man een mooie zuster had en dat ze met de boot zo dicht mogelijk langs het huis van de zus zouden varen, zodat de ober en zij naar elkaar konden zwaaien… Er klonk een luid applaus. Tot diep in de nacht bleef het onrustig in de bar.

En vrijdag was het zover. De boot zou langs het eilandje varen. De kapitein ging met het meisje aan de wijn en verdween met haar naar zijn hut. Toen gebeurde het. De ober zwaaide naar zijn zus en het schip liep op de rots. De jus vloog in de eetzaal uit de kommetjes, de illusionist zag meer gordijntjes bewegen dan gepland en overal viel het licht uit. Ook in de hut van de kapitein.

De rest is geschiedenis. Iedereen moest kalm blijven en deed dat niet. Het schip maakte slagzij, de mensen hesen zich in zwemvesten, de kapitein struikelde een reddingsboot in. De kustwacht schold nog wat door de telefoon van de kapitein. Zo hard dat iedereen het kon horen, maar hij bleef onvermurwbaar zitten. In het bootje herkende hij Camiel Eurlings en Maxime Verhagen, die zacht tegen elkaar zeiden: „Goede kapitein, nooit teruggaan!”

Zaterdag stotterden de media de schade en de schande over de wereld. Radio’s, televisies, websites. Ze spraken allemaal over de ramp bij Toscane. Vooral de kapitein moest het ontgelden. Ook in het verpleeghuis schalde het aantal doden en vermisten uit de tv. De oude man keek glazig.

„Vermist raken”, murmelde hij, „dat is eigenlijk nog mooier dan verzuipen.”