Pretpark Amsterdam

De oorspronkelijke betekenis van koek-en-zopie is: een kraampje op het ijs waar koek en drank verkocht wordt. Het ijs is deze hele eeuw amper dik genoeg geweest om een kraampje te dragen. Bij koek denk ik aan Verkade’s ontbijtkoek, met een plaatje dat je in een Verkade-album kon plakken. In sloot en plas bijvoorbeeld. Leerzaam. En voor de combinatie van kraam en drank hebben we tegenwoordig het woord zuipkeet, dat komt er het dichtst bij. Maar nu dwaal ik af voor ik begonnen ben.

De feestdagen zijn voorbij en dit betekent dat in Amsterdam ook het koek-en-zopieseizoen is afgelopen. Het begint steeds vroeger, vorig jaar al ver voordat de eerste kinderen hun schoentje hadden gezet. Op de pleinen verschijnen oliebollenkramen. Niets tegen. De eerste oliebol van de winter, flink in de poedersuiker, is een openbaring. Maar dan. Ik kom met de tram langs het Leidseplein, het Rembrandtplein. Het zijn niet de mooiste ter wereld, maar ze hebben een typisch Amsterdamse, chaotische allure. En ze zijn ruim. En nu, onverwacht, wordt je blik belemmerd. Het plein is volgebouwd met tentjes en kraampjes, omgetoverd tot een fundorpje waar je al het lekkers ter wereld kunt kopen, en misschien ook nog spelletjes kunt doen. Op het kleine deel van het Leidseplein is ook het zielige ijsbaantje weer aangelegd, hooguit twintig bij twintig meter. De pleinen zijn veranderd in koek-en-zopiemetropolen. Begin deze week is het ijsbaantje afgebroken. Het seizoen is voorbij, we hebben de pleinen terug. Een kleine bevrijding.

Maar we moeten op onze hoede blijven. Er is een fractie in het Amsterdamse gemeentebestuur, of in de deelraden, die er consequent naar streeft de stad zoveel mogelijk in een pretpark te veranderen. Dat betekent in dit geval: kraampjes en tentjes neerzetten, de omzet van haring, zoetigheid, limonade, ansichten, souvenirs vergroten. Een paar dagen geleden liep ik voor het eerst sinds jaren weer langs de Bloemenmarkt aan het Singel. Dat gebiedje wordt door deze branche voorspoedig gekoloniseerd. Ik heb de indruk dat het koek-en-zopiewezen ook het Museumplein aan de kant van de Paulus Potterstraat in exploitatie probeert te nemen, maar daar wil het nog niet lukken. Onder andere Wim Pijbes, directeur van het Rijksmuseum, blijft zich verzetten.

Vorige week heeft deze krant een bijdrage van hem afgedrukt waarin hij weer de aandacht vestigt op het belang van de stad als internationaal centrum van de beeldende kunst. Ik zie het elke dag met eigen ogen. Lange rijen voor het Van Gogh en het Rijksmuseum. De automatische stem zegt in onnavolgbaar Engels: mjoesieumdistrikt – en de tram stroomt leeg. Volgend jaar gaat het Stedelijk weer open. Dan wordt het nog winstgevender. Rembrandt en Van Gogh zijn geen linkse hobby’s, Kienholz, Tinguely, Lichtenstein, Mondriaan en Charley Toorop evenmin. Ze zijn winstgevender dan bijvoorbeeld cruiseschepen. Misschien is het een idee: een leuk reisje van het Binnenhof naar het Museumplein organiseren?

Pijbes roerde in zijn artikel nog een andere heikele kwestie aan: het tunneltje onder het Rijksmuseum. Moet dat, als het museum af is, weer voor fietsers worden opengesteld? Nee, zegt de directeur. En daarmee heeft hij heel fundamentalistisch fietsend Amsterdam tegen zich.

Ik sta aan de kant van de directeur. Ten eerste is dit mooie tunneltje een ruimte met een weergaloze akoestiek. Ik heb weleens voorgesteld daar een alternatieve grote zaal voor straatmuzikanten te vestigen. Ten tweede is het geen vitaal deel van de verbinding tussen Zuid en het centrum, zeker niet sinds ‘de kortste snelweg van Nederland’ dwars over het Museumplein is opgeheven. Ten derde kunnen fietsers makkelijk links of rechts van het museum de Stadhouderskade bereiken. En dan het nieuwste, doorslaggevende argument: waar fietsers zijn, komen scooters.

Ik heb niets tegen ‘de’ scooterrijder in het algemeen. Maar als de berijder anarchistische instincten heeft, worden die krachtig gestimuleerd. Wat dat aangaat, is er een duidelijke overeenkomst met vuurwerk. Ik weet er alles van, omdat ik mijn stukjes tik met het uitzicht op een driesprong met fietspaden, alles door verkeerslichten beveiligd, en dan staat recht tegenover me nog een benzinestation. Ja, er zijn heel beleefde, gedisciplineerde scooteraars. Maar zeker de helft lapt de verkeersregels aan zijn laars, rijdt in volle vaart rakelings langs fietsers, gedraagt zich op het asfalt als God in Frankrijk. En dan heb je nog een kleine minderheid die in razende vaart naar de pomp rijdt, tankt en snel wegrijdt zonder te betalen. In deze krant van het vorig weekeinde staat een artikel van Sjaak van de Groep, waarin melding wordt gemaakt van een petitie op internet tegen de ‘scooteroverlast’, ondertekend door 6.614 scooterhaters. Sinds 2005 is het aantal slachtoffers onder de scooteraars met twintig procent gestegen.

Denkt u dat de anarchisten, onder de indruk van de kunstschatten boven hun hoofd, in het tunneltje onder het museum zullen kalmeren? Wim Pijbes heeft gelijk.