Peepshow

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: een kamer voor jezelf.

We zouden er een fitnessruimte van kunnen maken. Dan kunnen we de roeimachine uit zijn benarde positie in de stofzuigerkast bevrijden en kopen we nog een crosstrainer en een stepapparaat. Van één muur maken we dan een spiegelwand, we zetten een waterkoeler neer en zorgen dat er altijd een verse stapel handdoeken ligt. Zul je eens zien, hoe fit we dan worden.

Een televisiekamer heeft de voorkeur van mijn oudste dochter. Dan hoeft er alleen maar een tv geplaatst te worden en een hysterische hoekbank. Gevleid in zachte kussens kan ze dan met haar vriendinnen naar Sex and the city kijken terwijl ze hun nagels lakken en alcoholvrije cocktails drinken.

Mijn jongste dochter is van mening dat we moeten investeren in een cupcake-atelier. Als ze, zoals nu nog het geval is, iedere keer haar hele verzameling taartdecoratie, rolfondant en bakmixen moet op-ruimen, kan ze nooit grootschalig produceren en is haar onderneming gedoemd te mislukken. Ze heeft een roestvrijstalen tafel nodig en een professionele mixer („Een roze KitchenAid, mam”).

Voor een goed begrip: we hebben het hier over de nieuwe bestemming van een niet-geïsoleerde berging van twee meter bij twee meter zeventig. Maar daar gaat het niet om. Waar het om gaat, is dat die ruimte zich boven ons appartement bevindt en dat die te koop komt. En daar liggen we nu wakker van. Want ruimte in Amsterdam is schaars en dromen zijn net als konijnentanden: ze blijven doorgroeien.

Wacht even. Krijg ik opeens een wake up calletje? Wie ligt er hier wakker in een zijkamertje zo groot als een bedstee? Juist. Ik. De moeder. En wie liggen er wuft te woelen in hun eigen slaapkamers (die bovendien de helft van de tijd leeg staan omdat ze dan bij hun vader zijn)? Inderdaad. Mijn dochters. Dus voor wie wordt die berging? Precies. Voor mij. Een kamer voor mezelf!

Want natuurlijk heeft Virginia Woolf gelijk. Zonder geld en zonder eigen kamer maakt ook een vrouw niks klaar. Ik heb haar essay A room of one’s one uit 1929 er nog eens op nagelezen en ik voel het nu heel sterk. Als ik eerder een eigen kamer had gehad en het geld om in goed gezelschap tong en patrijs te eten en sloten wijn te drinken, denk maar niet dat ik dan nu nog steeds een kantoorbaan had gehad. Als ik niet elke avond aan de eettafel, tussen de stamppotresten, met mijn huishoudboekje hoef te sjoemelen, dan had ik echt wel al lang gedaan wat Woolf van me verlangt: een ontdekking van belang doen, of een rijk op zijn grondvesten doen schudden.

Dus sta mij toe een muntje te werpen in de peepshow van mijn fantasie. Zie: het laatste reepje zonlicht van de dag valt naar binnen door het hoge zolderraam van mijn niet-geïsoleerde berging van twee meter bij twee meter zeventig. Er staat een dagbed (in het woord dagbed komen al mijn dromen samen) en op dat dagbed lig ik, slechts gekleed in een soepel vallende kamerjas. Ik drink wat wijn, knabbel aan een patrijzenpootje en dool in alle rust door mijn gedachten. Aan alles kun je zien dat ik Denk. Opeens – even inzoomen nu – sta ik op. Het glas wijn valt om, het patrijzenpootje valt uit mijn hand. Het is duidelijk: ik heb een Idee. Een idee waardoor voortaan alles anders zal zijn. Daar, in die kamer voor mezelf, heb ik bedacht dat ...

Damn, het luikje gaat weer dicht, het muntje is op. Eerst maar eens bellen met de bank.