'Op mijn vijftigste wil ik stoppen'

Michiel van Erp maakte een documentaire over het Nationaal Historisch Museum. ‘Ik ben geen pamflettist’, vertelt de regisseur bij een portie eendenlever.

Een vorkheftruckchauffeur die make-upconsulent wil worden. Een nooit doorgebroken levensliedzanger die het in Torremolinos nog één keer probeert. Een vrouw die met kabouters praat. Het zijn zomaar enkele Nederlanders uit documentaires van regisseur Michiel van Erp. Wie de films heeft gezien, zal deze mensen niet snel vergeten. Vaak moeten kijkers lachen om de mensen die Van Erp filmt. Is het een ironische blik op de wereld die hem drijft? Of is het naastenliefde? „Michiel is de woordvoerder van tuttig Nederland”, had een goede vriend van hem, liefdevol, gezegd. „Michiel is de übertut.”

Van Erp is een kwartier te laat. „Ja sorry hoor. Ik stond bij de brillenwinkel een nieuwe bril uit te zoeken en ik wist niet dat dat zo’n gedoe was.” We hebben afgesproken bij Brasserie Van Baerle in Amsterdam. Daar kwam hij vroeger vaak met televisiemaker Gert-Jan Dröge. „Die hield er wel van, van witte wijn en een hapje, en ik deed graag met hem mee.” Na Dröges dood is Van Erp hier altijd blijven komen. Hij bestelt toast met eendenlever, een spiegeleitje en truffeltapenade. Het lijkt niet een bewuste keuze. „Vrolijk lunchinterview met NRC-lux”, twittert hij een paar uur later. „Zwezerik en citroentaart.”

Het is goed te begrijpen dat Van Erp makkelijk met zijn camera bij mensen binnenkomt. Je voelt je snel vertrouwd met hem. Dat komt door dat gemoedelijke accent (hij komt uit Eindhoven). Van Erp praat lekker en lacht makkelijk – vooral om zichzelf. Maar vergis je niet. „Ik ben een baasje hoor.”

Van Erp is drukker dan ooit. Vorige maand waren op Nederland 1 zijn Moordverhalen te zien: in elke aflevering reconstrueert hij met betrokkenen en nabestaanden een geruchtmakend misdrijf. („Fijne recensie in NRC”, twittert hij daags na een uitzending. „Zit even in zelffelicitatie situatie.”) Hij maakte het eerste deel van Tijd van je leven, een film over elf Utrechtse kinderen; acht jaar lang zal hij elk jaar een film over ze maken. En in maart komt zijn eerste film voor het buitenland uit: I am a woman now, een documentaire over zeven bejaarde vrouwen die begin jaren zestig naar Casablanca gingen voor een geslachtsverandering. De film was al op het IDFA te zien.

En dinsdag komt Postmoderne Hutspot op televisie, een documentaire over het tumult rondom het Nationaal Historisch Museum. Een film over een instituut is nogal atypisch voor Van Erp. „Dat vonden de twee directeuren niet”, zegt Van Erp. „Zij hebben mij benaderd.” Het moest een film worden over ‘de zoektocht naar een gemeenschappelijke identiteit’. Het werd een film over drie jaar politiek gekrakeel. „Je voelt aan alles dat ik daar per toeval in terecht ben gekomen.” De film laat volgens Van Erp zien waar het in de politiek om draait. Als hij het in één woord moet samenvatten? „Liegen.”

Rafelige levenspaden

Meestal is de hoofdrol in een documentaire van Van Erp weggelegd voor mensen die rafelige levenspaden bewandelen. Wat wil hij met zijn films? Hij antwoordt binnen de seconde: „Het kwetsbare van het leven laten zien. De universele zoektocht naar geluk.” Het liefst filmt hij onbekende mensen. „Mensen die een stap in hun leven hebben gezet, of dat proberen te doen.”

Je zou kunnen zeggen dat Van Erp op bezoek komt bij de mensen waar politiek Den Haag zo krampachtig aansluiting bij probeert te vinden. „Ik weet nog dat ze bij de VARA na de moord op Pim Fortuyn een werkgroep wilden oprichten met als doel bij de verloren groep Nederlanders terecht te komen. Nou, zei ik, volgens mij ben ik bij die mensen thuis geweest de afgelopen jaren.” Van Erp maakte de langlopende serie Lang Leve... Portretten van stoere mannen die in de bossen op zoek gaan naar hun verloren gewaande man-zijn en ‘schuldloos gescheiden’ mannen die in een praatgroep steun bij elkaar zoeken. „Ik wist precies wat er aan de hand was”, zegt Van Erp. „En nog steeds aan de hand is.” Veel mensen voelen zich „ontkend”, hebben het gevoel dat ze er niet bij horen. „En terecht. Er zijn nog steeds weinig talkshows waarin gewone mensen om hun mening wordt gevraagd.” Van Erp wil niet pretenderen dat hij deze mensen een stem geeft. Hij zou ook geen film over Wilders-aanhangers willen maken. „Waar moet je het over hebben? Je weet al waarom ze boos zijn.” Wel laat hij in Angst , over zes patiënten met een angststoornis, zien waarom een man in de supermarkt niet durft af te rekenen bij een kassière met een hoofddoekje.

Angst was de eerste film waar Van Erp zelf buiten beeld bleef. Hij liet de schrijver Arthur Japin de commentaarstem inspreken; als een alwetende, ietwat afstandelijke verteller. Een goede vriend met een fobie bracht Van Erp op het idee de documentaire te maken. „Ik dacht altijd bij dit soort angsten: therapietje en medicijnen en klaar. Maar door het maken van die film heb ik begrepen dat het zo niet werkt.”

Angst is een volksziekte, zegt Van Erp. „Depressie is volksziekte nummer 1, daarna komt angst.” Het heeft te maken met de jachtige maatschappij, de voortdurende ratrace, zegt hij. Dit soort informatie geeft hij niet in de film. „Dat wil ik niet”, zegt hij. „Ik ben geen pamflettist.”

Muziekwinkel

Van Erp werd bij toeval programmamaker. Hij groeide op in Eindhoven waar zijn vader een muziekwinkel aan huis had en in één van de slaapkamers muziekles gaf. Na zijn middelbare school ging hij naar de TU in Delft. Als afgestudeerd ingenieur rommelde hij een tijdje aan als acteur en blufte zichzelf toen bij de VPRO naar binnen als programmamaker.

„Mijn eigen leven kun je heel goed leggen op de levens die ik film”, zegt hij. „Onzekerheid, twijfel, zelfspot, net iets te enthousiast ergens in stappen – dat zit allemaal ook in mij.” Hij kan zich altijd verplaatsen in de mensen die hij filmt, zegt hij. Daarom vertrouwen ze hem ook. „Ik breng mezelf mee. Ik stel mezelf kwetsbaar op.” Een draaidag moet voor de gefilmden een leuke dag zijn, zegt hij. „Ze moeten zich gewaardeerd weten. Ze mogen zich niet ongemakkelijk of overdonderd voelen. Ik wil niet dat ze het idee hebben dat ze in een stramien worden geduwd.”

Kwetsbaarheid als instrument. Een trucje, om een mevrouw die in kabouters gelooft zo gek te krijgen dat ze haar verhaal voor de camera doet. Van Erp wuift de suggestie weg. „Onderschat de mensen die ik film niet. Ze weten heel goed waarmee ze bezig zijn. Ik film iets waar zij voor honderd procent achter staan.”

En wat voor de een buitenissig is, is dat voor een heleboel anderen niet, weet Van Erp. Neem nu de film die hij maakte over de mannen die hun man-zijn zijn kwijtgeraakt. Van Erp filmde hen terwijl ze in de bossen de band met hun moeder doorsneden en opnieuw contact probeerden te maken met hun vader. „Dat ging gepaard met heftige rituelen. Het was allemaal heel emotioneel. Mannen pakten elkaar letterlijk bij de ballen om elkaars man-zijn te voelen.” Na de uitzending werd Van Erp aangesproken door collega’s uit Hilversum. Ze wilden het adres van die cursus. Niet om er ook een programma over te maken, maar om die cursus zelf te doen.

Hetzelfde overkwam hem met de uitzending Op Avontuur over een workshop in Amerika waarin homo’s zich laten veranderen in hetero’s. „Ik bracht mezelf mee als materiaal. Natuurlijk wilde ik geen hetero worden, maar je ziet me wel twijfelen.” Nog steeds wordt Van Erp aangesproken door mannen die het telefoonnummer van die workshop willen.

Met I am a woman now heeft Van Erp „een romantische film’’ willen maken. „De film gaat over het najagen van dromen.” De mannen die begin jaren zestig naar Marokko reisden om een geslachtsverandering te ondergaan, zijn nu vrouwen van tussen de 70 en 80 jaar. Ze bezochten in Casablanca een kliniek waar iedereen die het geld had, zonder een psychologisch onderzoek, geopereerd kon worden. „Het is geen freakshow”, zegt hij. „Het is ook geen film over transseksualiteit, maar een film over ouder worden. Deze vrouwen kunnen terugzien op hun leven en denken: ik heb alles uit het leven gehaald wat erin zat. Daar heb ik grote bewondering voor.”

Voor Van Erp is I am a woman now een belangrijke film. Het tekent de ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt. „In I am a woman now leun ik niet meer op ironie.”

Ha, zie je wel, nu zegt hij het zelf: ironie was een onderdeel van zijn werk. Die kaboutermevrouw was dus toch louter om te lachen. „Nee”, roept hij uit. „Okay, kabouters bestaan niet. Dat is evident. Maar je kan toch een poging doen er in te geloven? Je kunt je de vraag stellen: waarom wil die vrouw kabouters zien? Wat ontbeert ze in haar leven?”

Kabouters

En hoe is het leven van Van Erp dan te leggen op het leven van een vrouw die in kabouters gelooft? „Bewondering is zo’n afgekloven woord”, zegt hij en prikt in zijn eendenlever. „Maar ik heb bewondering voor zo’n vrouw. Als ik iets minder eigenwijs was geweest, dan was ik niet geworden wie ik nu ben. Als vijfentwintig jaar geleden iemand tegen mij gezegd zou hebben: jij gaat documentaires maken, dan had ik dat een onzinnig idee gevonden. Net zo onzinnig als: jij komt in aanraking met natuurwezens. Zo’n vrouw gaat haar eigen gang, daar heb ik bewondering voor.”

Je bent geneigd hem te geloven. Ook om wat hij even daarna gaat zeggen: „Op mijn vijftigste wil ik stoppen met dit werk.” Hoe vreemd. Net nog heeft hij verteld hoe verslaafd hij is geraakt aan de belevenissen en ervaringen van de mensen die hij filmt. Hoe hij zijn leven leeft via hen. En dan wil hij over twee jaar ophouden met filmen? „Dat voel ik heel sterk.” Als hij morgen de staatsloterij wint, stopt hij meteen. Dit vak vreet energie, zegt hij. „Ik lig vaak wakker. Dan heb ik zorgen. Gaat alles wel goed? Komt het in orde met het geld? Zijn de gefilmden wel blij met het resultaat? Als een recensent iemand uit mijn film beschrijft als een tuthola, dan heb ik daar last van, want ik vind haar geen tuthola. Het is echt allemaal heel vermoeiend.”

Misschien dat hij een boek gaat schrijven. „Ik ben niet zo’n avonturier. Laat mij maar lekker in de stad, bij mijn vrienden, of thuis, met een boek. Ik wil de slappe lach hebben, dronken worden en iemand in nood helpen. Dan heb ik wel weer genoeg beleefd op een dag.”

Twee weken later, terug van een korte vakantie in Buenos Aires, leest Van Erp het interview en wil hij één ding veranderen. „Met 50 stoppen is wel erg vroeg. Heb ik dat echt gezegd? Maak daar maar 55 van.”

Het uur van de wolf: Postmoderne hutspot – Opkomst en ondergang van het Nationaal Historisch Museum is 24 januari te zien op Ned. 2, van 23.00 tot 00.40 uur.