Mijn oordeel berust te vaak op tunnelvisie

Iedereen heeft vooroordelen, stelt Alex Brenninkmeijer. Maar als we door beeldvorming de wereld verdelen in ‘wij’ en ‘zij’, missen we de dialoog die nodig is om niet te discrimineren.

Artikel 1 van de Grondwet mag wat mij betreft in iedere stoeprand in ons land gebeiteld worden. Laat iedere rolstoelgebruiker maar weten dat er nooit een onoverkomelijke drempel is in onze samenleving en laten we zelf desnoods dagelijks struikelen over deze boodschap. Toch realiseer ik mij dat een wetstekst niet de werkelijkheid van onze samenleving weergeeft.

Non-discriminatie is namelijk een onderwerp waarbij het niet alleen gaat om het rationele, maar ook om het emotionele. Godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht en seksuele gerichtheid raken de kern van iemands identiteit en die identiteit is hoofdzakelijk een gevoelszaak. Dagelijks zien we dat deze onderwerpen aanleiding geven tot hevige emoties. Daar verandert onze Grondwet niets aan.

Wat speelt er dus meer dan de wet alleen? Wij leven naar mijn mening in een tijd waarin emoties steeds gemakkelijker hoog oplopen of bewust hoog opgespeeld worden. Mede aangejaagd door de media, die conflicten vaak centraal stellen, blijkt intolerantie een opkomende stemming in onze samenleving, en ook in politiek Den Haag. De soms oververhitte politieke debatten in de Tweede Kamer lijken te zeggen dat alleen dat wat heftig is, telt.

Het recht op vrije meningsuiting is binnen het debat opgerekt tot het recht om te beledigen, zonder de vraag te stellen wat het effect daarvan is en wanneer een provocerend debat zin heeft. Rond ‘wij’ en ‘zij’ worden beelden en sentimenten gecreëerd en versterkt. Wij tegen de ‘geldverslindende’ Grieken, wij tegen de ‘achterlijke’ islam. Daar waar daadwerkelijk sprake is van groot verschil, leren we er niet goed mee om te gaan.

Dit vraagt om onze aandacht, alleen al omdat voor de meeste mensen in Nederland de manier waarop we met elkaar omgaan het grootste zorgpunt is: toenemende intolerantie en onverdraagzaamheid, het gebrek aan respect voor normen en waarden, asociaal gedrag, de verharding en verhuftering en de ik-cultuur.

Om tot meer gemeenschappelijkheid te komen en beter om te gaan met verschillen, plaats ik tegenover het denken in ‘wij’ en ‘zij’ radicaal het ‘ik’ en ‘de ander’, omdat zowel het ‘wij’ als het ‘zij’ een generalisatie inhoudt, die onrecht doet aan het eigene van ieder mens. Met termen als godsdienst, levensovertuiging of politieke gezindheid biedt artikel 1 erkenning voor de individuele identiteit. Tegelijkertijd zegt het iets over verbondenheid tussen groepen door discriminatie op die gronden te verbieden.

Behalve Pim Fortuyn destijds bestrijdt vrijwel niemand de waarde van artikel 1 van de Grondwet. Desondanks blijft ongelijke behandeling en discriminatie een probleem in onze samenleving.

Op dit punt aangekomen houd ik mezelf een spiegel voor en stel mij ernstig de vraag of ik vrij ben van discriminatie. En dan moet ik bekennen dat ik boordevol vooroordelen zit. Niet alleen rationeel, maar juist ook op gevoelsniveau.

Ik beoordeel mensen en situaties vaak op het eerste gezicht aan de hand van mij bekende voorbeelden en situaties, stereotypen, en ben geneigd tot generaliseren, zonder voldoende oog te hebben voor het eigene van nieuwe situaties.

Ik ervaar een eerste indruk als een gemakkelijke ankerplaats voor mijn oordelen, terwijl het kan zijn dat die eerste indruk helemaal niet klopt, maar toch heb ik de neiging om mijn oordeel blijvend in te kleuren met die eerste indruk.

Als ik een verkeerde keuze heb gemaakt, dan blijf ik daar vaak hardnekkig aan hangen en sta ik onvoldoende open voor nieuwe argumenten: mijn oordeel berust te vaak op een tunnelvisie.

Het prettigst voel ik mij – veelal ongemerkt – wanneer ik me tot in de kleinste details kan spiegelen met de ander. Maar ook wat ongemakkelijk of zelfs onprettig als er te veel verschillen zijn. Ik betrek dit op mijzelf, maar het geldt vrijwel voor ieder mens; het is de psychologie van de gelijkheid. Onderzoek wijst uit dat of ik nu deskundig ben op een bepaald terrein of niet, mijn denken en voelen een eindeloze reeks snelle vooroordelen oplevert.

Onder invloed van deze wonderlijke werking van ons brein hanteren wij short cuts bij de oordeelsvorming, die gemakkelijk zijn om onze complexe werkelijkheid te bevatten en om snel te beslissen. Neem een rechter die jarenlang strafzaken doet. De psyche werkt helaas zo dat het risico groot is dat deze rechter – en nu overdrijf ik een beetje – in iedereen een crimineel ziet. Hetzelfde heb ik gezien bij wetshandhavers. Voor de politie en de Marechaussee vormt het bijvoorbeeld een risico dat ze relatief vaker met mensen met een kleur te maken hebben.

Hoe kan een agent voorkomen dat hij een bepaalde etniciteit ten onrechte gelijk gaat stellen met criminaliteit? Het antwoord van de politiewereld: zorg ervoor dat je ook voldoende contact hebt met mensen uit deze groepen die zich niet crimineel gedragen. Dat is immers de overgrote meerderheid. De overgrote meerderheid deugt.

Een ander psychologisch effect in ons brein is dat mensen geneigd zijn om zich te richten op voorbeeldfiguren in de politiek en de media, en gevoelig zijn voor beeldvorming. Nadat het beeld van de multiculturele samenleving aan gruzelementen is gegaan, is bijvoorbeeld het beeld opgeroepen van een samenleving met conflicterende culturen. Dit wordt gesteund door een voortdurende stroom berichten en diskwalificerende aanduidingen, zoals ‘haatpaleizen’ en ‘kopvoddentax’.

Met ruwe woorden zetten politici beelden neer die voor veel mensen ‘maatgevend’ worden. SCP-directeur Schnabel heeft gewezen op het sentiment dat omschreven kan worden als „met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht”. Mensen zijn over het algemeen best wel positief ingesteld, maar herkennen hun private waarden niet terug in het politieke en publieke handelen. Het aanzetten tot wij-zij-denken, zet zo uiteindelijk het vertrouwen in onze samenleving onder druk.

En hier kom ik op een belangrijk punt: non-discriminatie bloeit juist bij vertrouwen. Hoe iemand ook denkt over homo’s, als hij goed contact heeft met zijn homo-buurman speelt het verschil in seksuele gerichtheid minder een rol. Hetzelfde geldt voor de Marokkaanse buur of de Poolse schilder. Als het om ‘ik’ en de ‘ander’ gaat dan valt er veelal wel een brug te bouwen.

Vertrouwen is geen abstract begrip, maar het resultaat van concrete contacten, van dag tot dag. Zonder dialoog blijft de ander buiten beeld en wordt hij een object in plaats van een mens van vlees en bloed. Die dialoog vormt de kern van ons samenleven.

De dialoog is niet altijd een gemakkelijk gesprek en vraagt bovendien tijd, inzet en moed. Bij gebrek aan die moed zien we te vaak een rechtsstrijd of politieke strijd ontbranden. Juridische procedures zijn meestal langdurig en belastend, en als ze tot een onbevredigend resultaat leiden, moeten er nieuwe regels komen. Met steeds weer nieuwe regels schuiven wij de eigen verantwoordelijkheid voor het vinden van een redelijke oplossing van ons af. Terwijl een goed gesprek van desnoods een half uur de lucht al zou klaren.

Voor gelijke behandeling en non-discriminatie hebben wij niet meer wetten en regels, niet meer juridische procedures nodig. Artikel 1 van de Grondwet biedt ons genoeg. Begin het gesprek over gelijkwaardigheid tussen mensen ondanks onze verschillen. Deze gelijkwaardigheid vormt de brug tussen mij en de ander.

Laten we elkaar ook aanspreken op onze vooroordelen. Maak het tot een moeilijk gesprek. Maar toon steeds de moed voor deze dialoog.

Alex Brenninkmeijer is de Nationale ombudsman. Dit is een bewerkte versie van de Burgemeester Dales-lezing die hij vrijdagavond uitsprak.