Mee in de vaart der volkeren

Het was donker en het regende, toen ik in de zomer van 1988 voor het eerst in Peking kwam. De eindeloze rijen grauwe flats maakten een vervallen en overbevolkte indruk. In de straten haastten duizenden fietsers zich in de klamme warmte van de avond naar huis. Geen leuke stad en ook veel minder levendig dan Shanghai of Kanton.

Toen ik in de zomer van 2011 voor het eerst weer terugkwam, herkende ik bijna niets meer. Ja, de Verboden Stad en het Centraal Station, maar dat was het dan zo’n beetje. Van het hypermoderne vliegveld leidde een mooi aangelegde snelweg door verzorgde parken naar een eindeloze skyline van kantoor- en appartementgebouwen. Snel ging het niet, want de wegen waren overvol met de nieuwste modellen van Audi, Volkswagen en Mercedes. Alles glansde je even nieuw, schoon en verzorgd toe. Ik had bovendien geluk: geen smog en stralend blauwe lucht.

In nauwelijks dertig jaar tijd heeft China, in ieder geval het stedelijke China, een onwaarschijnlijke ontwikkeling doorgemaakt. Ik vind het bijna onbegrijpelijk dat China steeds op één rij met India, Rusland en Brazilië gesteld wordt. India kampt met een wanhopig makende infrastructuur, in Rusland gaat de groeiende rijkdom aan de gewone bevolking voorbij en in Brazilië – dat misschien nog het dichtst bij China komt – is de afstand tussen rijk en arm nog altijd groter dan bijna waar ook. Volgens de Britse bank HSBC zakt Nederland op de economische wereldranglijst tussen nu en 2050 negen plaatsen naar nummer 24. China zal dan de grootste economie zijn, met India op plaats drie, Brazilië op zeven en Rusland op vijftien. Voor China geloof ik dat wel, ze staan nu al op de tweede plaats, voor Brazilië ook nog wel, maar voor India en Rusland lijkt het me onwaarschijnlijk.

Overigens zullen de Chinezen, ook al hebben ze de grootste economie, per persoon gemiddeld toch nog minder welvarend zijn dan de Amerikanen of de Nederlanders. China heeft nu tachtig keer zoveel inwoners als Nederland en tien keer ons bruto binnenlands product. In 2050 zal India wel aanzienlijk meer inwoners hebben dan China, maar zeker minder welvarend zijn.

China werkt nog steeds met vijfjarenplannen en die worden ook uitgevoerd. Een Chinakenner vatte het mooi samen, toen hij zei ‘ze zijn in China nog niet efficiënt, maar wel al heel effectief’. Dat geldt ook op het gebied van wetenschap en onderwijs. Er wordt enorm in geïnvesteerd en er wordt ook grootschalig geproduceerd. Meer dan een half miljoen ingenieurs per jaar, tendens stijgend.

Toch viel het niveau van de wetenschapsbeoefening me niet mee op de gebieden waar ik thuis ben. Ik kreeg veel overmatig gedetailleerde sociale en medische statistieken onder ogen, maar het bleef onduidelijk waarom nu welke gegevens met welk doel verzameld werden. Van een analyse was nauwelijks sprake en van een theoretisch kader al helemaal niet. Op dit gebied is er echt nog een lange weg te gaan, al twijfel ik er niet aan dat ook hier de achterstand zal worden ingehaald. Als de Chinezen iets willen, gebeurt het en dat ook nog snel en goed.

Het besef van de betekenis van duurzaamheid heeft inmiddels ook China bereikt en men is zich ook steeds meer bewust van de noodzaak het milieu minder te belasten. Om daar ook echt wat aan te kunnen doen, is behalve geld ook wetgeving, wetenschappelijke kennis en technologisch vernuft nodig. Die is er of komt er in de komende jaren. Ook in de sociale sfeer staat China voor grote opgaven, waar het de komende decennia een belangrijk deel van zijn enorme financiële reserves voor nodig zal hebben. China gaat vergrijzen, maar heeft nog geen goed pensioensysteem. Nu al zijn er meer dan honderd miljoen 65-plussers en dat aantal neemt door de stijgende levensverwachting snel toe.

Door de éénkindpolitiek is het echter niet langer reëel te veronderstellen dat de kinderen – het kind dus – de zorg voor hun ouders op zich kunnen blijven nemen. Ze kunnen dat nu niet meer, zoals vroeger, met andere kinderen delen en hebben daar vaak trouwens de middelen noch de ruimte voor. Bovendien wonen de ouderen vaak op het platteland en de kinderen in de steden, waar ze veel werkuren maken en weinig vrije tijd hebben. Een nieuwe wet verplicht hen hun ouders te bezoeken en te verzorgen, maar dat zal niet veel helpen. Er zal thuiszorg moeten komen en een beter toegankelijke gezondheidszorg.

De medische zorg is in de steden redelijk goed georganiseerd, maar echte hulp wordt door veel artsen alleen gegeven tegen forse informele betaling. Jonge Chinezen zijn dan ook echte spaarders geworden. Zonder voldoende contanten geen huis, maar ook geen goede gezondheidszorg en geen of heel weinig inkomen voor de ouders. China begint al wel een welvaartsstaat te worden, maar is nog geen verzorgingsstaat.

Chinezen zijn heel pragmatisch en kijken heel doelgericht naar de wijze waarop landen als Nederland, maar ook Japan (bijna een kwart van de bevolking boven de 65), oplossingen hebben gevonden voor de problemen van een verouderende bevolking. Alle kans dat ze uiteindelijk een slimme eigen variant ontwikkelen. Het geld hoeft geen probleem te zijn.