Lastige erfenis van Confucius en Mao

Kenniseconomie China vraagt nu meer patenten aan dan de VS en Japan. Maar ingesleten patronen verhinderen de komst van echt nieuwe en eigen vindingen.

Dirk Vlasblom

Snel stijgende onderzoeksbudgetten, een aanzwellende stroom patenten en een al even snelle aanwas van wetenschappelijke publicaties. China wil in 2020 een ‘kenniseconomie’ zijn en in 2050 de leidinggevende natie op het gebied van wetenschap en technologie. Daarom lokt het Chinese onderzoekers die carrière hebben gemaakt in het Westen terug naar het moederland. En het vraagt topwetenschappers uit het door recessie geplaagde Europa om de Chinese ambities te helpen realiseren.

Geld en mankracht genoeg, lijkt het. Toch moet China nog heel wat barrières nemen. Een centraal geleide samenleving heeft zo zijn voor- en nadelen. En diep ingesleten cultuurpatronen staan snelle innovatie in de weg.

China heeft in 2011 voor het eerst meer patenten aangevraagd dan de Verenigde Staten en Japan, meldt Thomson Reuters, een internationaal bureau gespecialiseerd in wetenschappelijke en technische informatie. Het aantal wetenschappelijke publicaties van Chinese onderzoekers groeide tussen 1998 en 2008 van 20.000 naar 112.000.

“Die kwantiteit is nog geen kwaliteit”, reageert Luc Soete, hoogleraar Internationale economische betrekkingen aan de Universiteit van Maastricht en erkend innovatiedeskundige. “Als we kijken welke wetenschappelijke artikelen het meest geciteerd worden, een meer kwalitatieve maat, dan zit China nog lang niet aan de top. Iets dergelijks geldt voor octrooien. De meest gebruikte, die licentie-inkomsten opleveren, zijn niet de Chinese.”

Bovendien is in de lijst van meest innovatieve ondernemingen van Thomson Reuters geen enkel Chinees bedrijf opgenomen. Soete: “Het vernieuwende onderzoek speelt zich af in staatsuniversiteiten en in gespecialiseerde instituten van de overheid, zoals de bekende wetenschapsparken.”

Een centraal geleid systeem heeft bepaalde voordelen. Je kunt er van bovenaf veel losmaken: mensen mobiliseren en motiveren om bij te dragen aan een leidinggevende rol van hun land. Soete: “China’s ambities zijn het meest haalbaar op gebieden waar sprake is van groot, mission-oriented onderzoek, zoals destijds het Manhattan Project in de Verenigde Staten [de ontwikkeling van de atoombom, DV], de Spoetnik van de Sovjets en de eerste mens op de maan.”

Dergelijke megaprojecten vergen op langere termijn duurzame investeringen in grootschalige apparatuur en experimenten, en daar werkt een top-down benadering goed, zegt Soete. “Als het doel eenmaal is vastgesteld en het onderzoekspad gekozen, zal een centraal geleid systeem sneller resultaat opleveren dan een democratisch stelsel. Zo is ruimtevaart een gebied waar ik China wel zie doorbreken.”

Maar de koppeling tussen centraal aangestuurd onderzoek en het Chinese bedrijfsleven ontbreekt. Zo constateerde Can Huang, een Chinese onderzoeker die is verbonden aan Soete’s instituut, dat de ‘nationale strategie voor ontwikkeling van nanotechnologie’ sinds 2003 de op één na langste lijst van publicaties heeft opgeleverd, na de Amerikaanse, maar dat Chinese bedrijven er niets mee doen. Soete: “Deze wetenschappers zijn geïnteresseerd in publiceren en naam maken, al was het maar onder de naam van het instituut of van hun land, maar niet in commercialisering. Zij willen puzzels oplossen en nanotechnologie leent zich daar goed voor.”

Culturele barrières

Staatsbedrijven spelen nauwelijks een rol bij wetenschappelijke en technische vernieuwing. “Die kijken allemaal wat de anderen doen en wachten op een groen licht om zich te bewegen op een nieuw gebied. Die zullen niet snel met eigen ideeën komen voor radicaal nieuwe producten. Het gebeurt wel, maar dan is de invloed van de buitenlandse ondernemingen de belangrijkste factor. Toch worden staatsondernemingen zwaar bevoordeeld door zowel de overheid als de bankwereld.”

Er bestaan in China ook belangrijke culturele barrières voor innovatie: de gezamenlijke erfenis van Confucius en Mao Zedong. Soete: “Neem de traditie van respect voor gewoonten, ouderen en hoger geplaatsten. Dat confuciaanse conformisme is na de revolutie bestendigd door autoritair bestuur en is fnuikend voor individuele creativiteit. Gezagsgetrouwheid staat wetenschappelijke doorbraken in de weg. De onderwijsinspanningen van China worden alom geprezen, maar studenten moeten worden aangespoord zelf kennis te vergaren en vragen te stellen. En tegendraadsheid zit niet in de cultuur.”

Ondernemers en wetenschappers durven niet radicaal anders te zijn. “Imitatie en kopieergedrag zijn als het ware de sociale norm”, zegt Soete. “Zo zijn alle grote internetproviders in China copy cats van buitenlandse bedrijven.”

Deze ingesleten patronen verklaren waarom de Chinese overheid zoveel belang hecht aan terugkeer van in het Westen opgeleide onderzoekers en bedrijfsleiders. Volgens Soete staat niet iedereen te trappelen. “Ook Chinese collega’s op mijn instituut staan onder druk om terug te gaan, maar ze willen eigenlijk niet op die dringende verzoeken ingaan. Toch zeggen zij: we moeten wel terug, want onze ouders zijn gepensioneerd en we zijn enig kind. En als we teruggaan buiten dit aanbod om is het onmogelijk om nog een appartement te kopen in Shanghai, Peking, Hongkong of een andere plek waar topuniversiteiten zijn.”

Zullen deze wetenschappers ginds een andere wind laten waaien? “Op het persoonlijke vlak en binnen de muren van het onderzoekslab wel, denk ik. De verhoudingen zullen er misschien wat minder hiërarchisch zijn, men zal wat minder respect hebben voor de baas, wat meer in de Europese en Amerikaanse traditie opkomen voor openheid en transparantie. Maar in de politieke sfeer, in de omgang met bureaucraten, blijft de confuciaanse cultuur als omgevingsfactor dominant. Culturele veranderingen voltrekken zich niet in één of twee generaties.”

Jonge Chinezen willen nog altijd naar het Westen. Uit cijfers van het Ministerie van Onderwijs blijkt dat er tussen 1978 en 2007 1,2 miljoen Chinezen gingen studeren in het buitenland en dat er in diezelfde periode 320.000 terugkwamen. Een kwart.

Soete: “Ik denk dat China meer zal moeten doen om die retourstroom op gang te houden. Want jonge Chinezen maken zich enorm druk over milieuverontreiniging en het gebrek aan vrijheden ginds. En ook China begint te vergrijzen.”

Gebrekkige ondernemerszin

De ambities zijn groot en we zien al veel meer output in de vorm van octrooien en publicaties. Brengt deze enorme inspanning op wetenschappelijk gebied eigen bedrijvigheid tot stand? Want daar is het, onder meer, om begonnen. Soete: “Nog heel weinig. De grote uitdaging voor China zal zijn die koppeling te maken. Er is een productiemachine die vooral is afgestemd op voorziening van de wereldmarkt. In de traditionele sectoren – metaal, grondstoffen – wordt eigen kennis ingezet, die wordt ontwikkeld in eigen laboratoria. Maar de hoogwaardige exportsectoren zijn allemaal gebaseerd op buitenlandse technologie. Van Appleproducten, zoals de iPhone, is amper vier procent van de componenten in China bedacht, de rest is ingevoerd.

“Het is een enorme uitdaging voor China om meer hoogwaardige toegevoegde waarde te creëren, gebaseerd op eigen ontwikkelingsinspanningen. Dat kan nog wel even duren, gezien alle barrières: financiering, gebrekkige ondernemerszin en ontbrekende banden tussen bedrijfsleven en kennisinstellingen in de publieke sector.”